Op 11 december 2025 publiceerde het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zijn uitspraak in de zaak Fliegenschnee en anderen tegen Oostenrijk.
Deze zaak is een onderdeel van een groeiend aantal klimaatklachten die door het Hof als niet-ontvankelijk werden verklaard.
Drie individuen en de milieuorganisatie Global 2000 stelden dat Oostenrijk onvoldoende maatregelen had genomen om de uitstoot van fossiele brandstoffen te beperken, waardoor zij werden blootgesteld aan de schadelijke gevolgen van klimaatverandering, zoals hittegolven en droogte. Zij beriepen zich hiervoor op de schending van artikel 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat het recht op leven beschermt, en artikel 8 EVRM, dat het recht op de eerbiediging van het privéleven waarborgt.
De klagers betoogden dat de Oostenrijkse weigering om een algemeen verbod op de verkoop van fossiele brandstoffen op te leggen hun mensenrechten schonden.
De beslissing van het Hof:
- Geen slachtofferstatus: Het Hof oordeelde dat de klagers geen slachtoffer waren van de schendingen die ze aanvoerden, omdat ze onvoldoende bewijs hadden dat ze persoonlijk getroffen waren door klimaatverandering. Het Hof past hierbij uitdrukkelijk zijn strikte criteria toe die eerder werden vastgesteld in het Klimaseniorinnen-arrest (EHRM 9 april 2024, Verein KlimaSeniorinnen Schweiz and Others v. Switzerland)
- Geen recht op specifieke klimaatmaatregelen: Het Hof verwierp de schending van artikel 8 EVRM omdat deze bepaling geen recht biedt om specifieke klimaatmaatregelen af te dwingen, zoals een verbod op fossiele brandstoffen.
- Subsidiariteit en margin of appreciation: Het Hof benadrukte dat lidstaten een ruime beoordelingsbevoegdheid (margin of appreciation) hebben om zelf te bepalen welke maatregelen zij nemen om hun bindende klimaatdoelstellingen te bereiken. Het is dus niet aan het Hof om een specifieke maatregel zoals een verbod op de verkoop van fossiele brandstoffen op te leggen.
- Geen toepassing van het eigendomsrecht (Artikel 1 Eerste Protocol EVRM): Het Hof oordeelde ook dat de bescherming van eigendom, zoals vervat in het recht op eigendom (Artikel 1 Protocol 1), in dit geval niet van toepassing was. Zelfs als het wel van toepassing zou zijn, konden de klagers niet aantonen dat zij persoonlijk schade hadden ondervonden.
Conclusie:
De uitspraak in de zaak Fliegenschnee bevestigt dat het EHRM geen specifieke klimaatacties kan afdwingen op basis van het mensenrechtenverdrag.
Nationale overheden beschikken over een ruime beoordelingsbevoegdheid bij het vaststellen van klimaatbeleid, waarbij zij de vrijheid hebben om zelf te bepalen welke maatregelen zij nemen om hun bindende klimaatdoelstellingen te realiseren.
Klimaatklachten voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kunnen daarom niet worden gebruikt om van de staat specifieke maatregelen, zoals een verbod op fossiele brandstoffen, te eisen.
In het kader van de klimaatrechtspraak zal het in de toekomst steeds aan klagers toekomen om aan te tonen dat zij daadwerkelijk beantwoorden aan de slachtoffercriteria.
Tot slot is het wel opvallend dat het Hof in deze zaak bij gebreke aan precedenten lijkt te oordelen dat het eigendomsrecht in het kader van klimaatverandering niet van toepassing zou zijn.
Indien u vragen heeft over dit arrest of bij de voorbereiding van uw project of plan, aarzel dan niet om contact op te nemen met ons team Omgevingsrecht.
Het besproken arrest kan hier worden teruggevonden.