Wanneer moet een werkgever een klokkenluidersregeling invoeren? Elk jaar opnieuw te berekenen!

Sinds december 2023 is een klokkenluidersregeling verplicht in ondernemingen vanaf 50 werknemers. Voor ondernemingen vanaf 250 werknemers was dit reeds verplicht sinds 15 februari 2023.

Deze drempels gelden per juridische entiteit en niet per technische bedrijfseenheid.

Hoe deze drempel berekend moest worden was tot nu toe niet duidelijk. De wet verwijst immers naar de berekeningsmethode die gebruikt wordt bij de sociale verkiezingen, die evenwel slechts om de vier jaar plaatsvinden.

De verwarring heerste vooral rond het tijdstip waarop deze drempel berekend moeten worden. Eénmaal om de vier jaar, samen met de berekening van de drempels voor de sociale verkiezingen, of voortschrijdend, na de afsluiting van elk kwartaal?

De wetgever heeft dit nu verduidelijkt in een bijkomende wet.

De drempel om te bepalen of een juridische entiteit de drempel voor een klokkenluidersregeling heeft bereikt, dient berekend te worden elk jaar op 1 januari aan de hand van het gemiddelde personeelsbestand over de vier kwartalen van het voorgaande jaar.

Ondernemingen die in de buurt van de drempelwaarden zitten, dienen dus elk jaar in januari deze berekening te doen om na te gaan of zij de drempel voor een klokkenluidersregeling hebben overschreden.

Bron: Wet van 9 februari 2024 houdende diverse bepalingen inzake economie, BS 21 maart 2024

Een bijdrage van onze experten Rudi Desmet en Karine Roobrouck

Loondiscriminatie: bijkomende verplichtingen voor werkgevers op komst

In 2022 bedroeg de genderloonkloof in België gemiddeld 5%. Dit wil zeggen dat vrouwen gemiddeld 5% minder per uur verdienen dan mannen.

België heeft al verschillende wetgevende (zoals de zogenaamde ‘genderwet’ van 2007) en beleidsmatige initiatieven genomen om de loonkloof te bestrijden. België scoort inzake loonongelijkheid tussen vrouwen en mannen beter dan de meeste andere Europese landen, maar de gemiddelde Europese loonkloof bedraagt nog steeds 12%.

De EU wijt de loonkloof onder meer aan het algemene gebrek aan transparantie over beloningsniveaus binnen organisaties, die als gevolg heeft dat beloningsdiscriminatie en vooroordelen op grond van gender onopgemerkt blijven of in vermeende gevallen moeilijk te bewijzen zijn. Een nieuwe EU-richtlijn legt enkele transparantieverplichtingen op die (publieke en private) werkgevers moeten naleven, bijvoorbeeld:

  • • Sollicitanten moeten voorafgaand aan een sollicitatiegesprek geïnformeerd worden over het aanvangsloon of de loonschaal van de gepubliceerde functie;
  • • Werkgevers mogen sollicitanten geen vragen stellen over hun beloning in hun huidige of eerdere arbeidsverhoudingen;
  • • Werkgevers moeten hun werknemers gemakkelijk toegang verschaffen tot de criteria die worden gebruikt voor het bepalen van de beloning, de beloningsniveaus en de beloningsontwikkeling van de werknemers. Die criteria moeten objectief en genderneutraal zijn;
  • • Werknemers hebben recht op schriftelijke informatie over hun individuele beloningsniveau en de naar geslacht uitgesplitste gemiddelde beloningsniveaus voor categorieën van werknemers die dezelfde of gelijkwaardige arbeid verrichten;
  • • De richtlijn voert een rapporteringsverplichting in voor ondernemingen die meer dan 99 werknemers te werk stellen: jaarlijks of elke drie jaar afhankelijk van de omvang van de onderneming.

Werknemers die denken het slachtoffer te zijn van loondiscriminatie zullen hiervoor naar de rechter kunnen stappen om een volledige compensatie te eisen voor de geleden schade.

De EU-lidstaten moeten ook sancties voorzien op inbreuken op de rechten en verplichtingen met betrekking tot het beginsel van gelijke beloning.

De Europese lidstaten beschikken over een termijn van 3 jaar (tot 6 juni 2026) om hun nationale wetgeving aan de nieuwe regels aan te passen.

Een bijdrage van onze experten Jonas Jespers, Karine Roobrouck en Rudi Desmet.

Europese zorgplichtwet dreigt verstrekkende gevolgen te hebben voor grote Europese bedrijven

Binnen de schoot van de Europese Unie wordt momenteel gewerkt aan een richtlijn inzake de zgn. “passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid”. Het Europees Parlement moet in april van dit jaar nog zijn definitieve goedkeuring geven.

Deze nieuwe wetgeving zou tot gevolg hebben dat grote Europese ondernemingen voortaan verantwoordelijk kunnen zijn voor milieu- en sociale schade die zich voordoet in hun toeleveringsketen.

Concreet moeten grote bedrijven sociale uitbuiting, dwangarbeid, milieuvervuiling en klimaatschade door grove ontbossing in de hele waardeketen rapporteren en aanpakken, ongeacht waar hun leveranciers gevestigd zijn. Niet-naleving van deze verplichting kan gestraft worden met boetes die kunnen oplopen tot 5% van de jaarlijkse omzet.

Alleen grote bedrijven met meer dan 1.000 werknemers en een omzet van 450 miljoen euro vallen onder het toepassingsgebied van deze wet. De financiële sector valt buiten het toepassingsgebied. Bovendien werd de speciale behandeling voor ‘risicovolle sectoren’ zoals landbouw, textiel en bouw niet opgenomen in de definitieve ontwerptekst.

De implementatie van de zorgplichtwet zal gefaseerd gebeuren. Het aantal Belgische bedrijven dat erdoor wordt beïnvloed, zou tegen 2027 beperkt blijven tot 40. Naar schatting zullen tegen 2029 ongeveer 200 bedrijven onder de regels vallen. Op Europees niveau zijn dit ongeveer 5.500 bedrijven, ruim 70 procent minder dan oorspronkelijk werd voorgesteld.

Voor verdere vragen of bijstand kan u steeds terecht bij het team omgevingsrecht van Astrea.

Deadline 31 maart 2024. Hoe staat het met uw opleidingsplan?

Wanneer moet het opleidingsplan worden opgesteld?

Ondernemingen met 20 of meer werknemers moeten vóór 31 maart van elk kalenderjaar een opleidingsplan opstellen met bijzondere aandacht voor bepaalde risicogroepen (50-plussers, werknemers van buitenlandse afkomst en personen met een handicap).

Vóór 15 maart moet de werkgever dit plan voorleggen aan de ondernemingsraad, de vakbondsafgevaardigden of bij gebreke daaraan, de werknemers zelf.

De werkgever bepaalt vrij de vorm van het opleidingsplan. Er is geen verplicht model (tenzij de minimumvoorwaarden worden vastgesteld in een paritair CAO).

Wat moet in het opleidingsplan worden opgenomen?

De werkgever bepaalt zelf welke opleidingen er worden opgenomen in het opleidingsplan.

Het plan moet zowel formele als informele opleidingen bevatten en toelichten op welke wijze deze opleidingen bijdragen tot de algemene opleidingsinspanning die op sectoraal niveau is vastgesteld.

Formele en informele opleidingen moeten beantwoorden aan de definitie van de Nationale Bank van België vermeld in de Toelichtingsnota met betrekking tot de opleidingsactiviteiten.

Het plan moet ook opleidingen voorzien om het tekort aan kandidaten voor de knelpuntberoepen aan te pakken in de sector waartoe de werkgever behoort.

In de opleidingsplannen moet ook rekening worden gehouden met de genderdimensie.

Wenst u meer informatie hierover, dan kan u terecht bij het team arbeidsrecht van Astrea.

Nieuwe duiding bij de toepassing van de verscherpte natuurtoets

Met een besluit van 10 januari 2024 stelt de Vlaamse Regering vast hoe men als aanvrager kan aantonen dat een voorgenomen activiteit geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) kan veroorzaken.

Dit besluit treedt op 24 februari 2024 in werking en geldt voor vergunningsaanvragen of meldingen ingediend vanaf deze datum.

In het verleden ging men in de rechtspraak ervan uit dat schade, zoals bedoeld in de VEN-toets, geen minimale ernst of schadedrempel vereist. Elke vorm van schade aan de natuur diende bijgevolg in aanmerking te worden genomen. In de praktijk zorgde dit voor heel wat discussies vermits indirecte effecten op een ecologisch netwerk nu eenmaal moeilijk begroot kunnen worden.

Nu wordt een einde gesteld aan deze onzekerheid door te voorzien in richtlijnen voor de beoordeling van schade aan een VEN-gebied, de herstelbaarheid ervan en de informatie die in een VEN-toets moet worden opgenomen.

Het besluit verduidelijk dat schade elke aantasting van de actueel aanwezige natuur betreft. In een VEN-toets moet men aantonen dat de voorgenomen activiteit ofwel geen schade veroorzaakt ofwel dat deze herstelbaar is.

Bij de beoordeling van de schade kan de aanvrager rekening houden met maatregelen die functioneel verbonden zijn aan de uitvoering van zijn activiteit en waarmee wordt beoogd om schadelijke gevolgen te voorkomen of te verminderen. Te denken valt aan een geluidscherm of een stilstand-systeem voor windturbines.

Daarnaast kan ook rekening worden gehouden met maatregelen die zijn opgenomen in bestaande plannen of programma’s die betrekking hebben op het natuurbehoud. De effecten van uitgevoerde of in uitvoering zijnde maatregelen vervat in deze plannen of programma’s kunnen een milderend effect hebben zodat geen sprake is van schade of minstens dat zij herstelbaar is. De Vlaamse Regering verwijst bijvoorbeeld naar richtlijnplannen, natuurbeheerplannen en soortenbeschermingsplannen.

Als blijkt dat het aangevraagde schade veroorzaakt, kan men aantonen dat deze herstelbaar is. Het besluit verduidelijkt dat schade herstelbaar is wanneer het mogelijk is om op de plaats van de beschadiging een kwantitatief en kwalitatief gelijkaardige habitat of leefgebied te creëren als hetgeen voor de beschadiging aanwezig was. Dit moet zo snel mogelijk gebeuren.

Spontaan herstel kan in aanmerking worden genomen door de aanvrager indien hij op gemotiveerde wijze kan aantonen dat het herstel zich daadwerkelijk zal voordoen. Daarenboven kan herstel ook gebeuren door de uitvoering van fysieke ingrepen of natuurbeheermaatregelen door de aanvragers of derden.

Tot slot bevat het besluit een lijst van welke informatie minimaal in een VEN-toets opgenomen moet worden.

Met deze richtlijnen wordt het voor aanvragers eenvoudiger om aan te tonen dat een voorgenomen activiteit geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het Vlaams Ecologisch Netwerk kan veroorzaken.

Voor verdere vragen of bijstand kan u steeds terecht bij het team omgevingsrecht van Astrea.

Huurders in onze hoofdstad genieten vanaf dit jaar een voorkeurrecht bij de verkoop van de huurwoning

Op 19 september 2023 keurde het Brussels Hoofdstedelijk Parlement een ordonnantie goed die de Brusselse Huisvestigingscode op ingrijpende wijze wijzigt. Vanaf 1 januari 2024 zal een eigenaar die zijn goed verhuurt in Brussel verplicht zijn om de huurder die het pand betrekt als eerste de kans te geven om de woning aan te kopen.

De begunstigden van het voorkeurrecht zijn de huurder, zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende partner en zijn of hun (adoptie)kinderen, ieder op voorwaarde dat ze gedomicilieerd zijn in de huurwoning. Het voorkeurrecht geldt enkel voor woninghuurovereenkomsten van 9 jaar. Huurovereenkomsten van korte duur (minder dan 3 jaar), onderhuurovereenkomsten en studentenhuurovereenkomsten vallen buiten het toepassingsgebied.

Wanneer de eigenaar-verhuurder het voornemen heeft om de woning te verkopen, dient hij zijn huurder schriftelijk te wijzen op zijn voorkeurrecht. De verhuurder moet daarbij de essentiële voorwaarden van de verkoop meedelen, zoals onder andere de verkoopprijs. Binnen de 30 dagen dient de huurder te laten weten of hij het aanbod aanvaardt dan wel afwijst. Indien de huurder niet binnen deze termijn reageert, wordt hij geacht af te zien van het aanbod. Telkens wanneer de voorwaarden voor de verkoop veranderen (en dus ook wanneer deze gunstiger worden voor de huurder), moet de eigenaar zijn huurder opnieuw inlichten.

De ordonnantie geeft aan in welke gevallen het voorkeurrecht niet geldt. Zo blijft de eigenaar vrij om de woning rechtstreeks te verkopen aan een partner of aan bloed- of aanverwanten, en kan het voorkeurrecht niet worden uitgeoefend bij de verkoop van een woning die onbewoonbaar werd verklaard. Tot slot geldt het voorkeurrecht slechts wanneer de verhuurder besluit tot de verkoop van zijn volle eigendom, en dus niet bij bv. de verkoop van een opstalrecht of de blote eigendom.

Verhuurders die hun woning verkopen zonder het voorkeurrecht te respecteren, riskeren zich bloot te stellen aan sancties. De huurder kan binnen één jaar na de overschrijving van de verkoop in de hypotheekregisters vorderen om in de rechten en plichten van de koper te treden. De huurder dient dan zowel de aankoopprijs als de aktekosten aan de koper te vergoeden. De verkoper dreigt daarbij eveneens aangesproken te worden door de koper in wiens rechten de huurder kan treden.

Voor verdere vragen kan u steeds terecht bij het team vastgoedrecht van Astrea.

Uitbreiding van gelegenheidsarbeid in begrafenissector – uit de Programmawet van 26 december 2022.

Vanaf april 2019 werd het statuut van gelegenheidswerk in de begrafenissector ingevoerd. Het doel hiervan was de administratieve lasten voor de korte, onvoorziene tewerkstellingen eigen aan de begrafenissector te verminderen. Ook werd hierdoor een flexibele tewerkstelling mogelijk voor bepaalde specifieke taken.

Bijzondere voorwaarden voor dit statuut worden opgelegd door de RSZ-wet en sectorale cao’s.

Een gelegenheidsarbeider in de begrafenissector is een werknemer die occasioneel in de sector van de begrafenisondernemingen ter gelegenheid van een overlijden in dienst genomen wordt met een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur of voor een duidelijk omschreven werk. De werknemer levert beperkte en onregelmatige prestaties op vrijwillige basis, zonder een vast uurrooster.

De taken die de gelegenheidswerker mag uitvoeren zijn echter beperkt:

• taken als bode, transporten verzorgen, opbaringen verzorgen, een rouwkapel plaatsen, het onthaal in het rouwcentrum verzorgen en/of bij de koffietafel helpen;

• de kist met het stoffelijk overschot of de urne met de as van de overledene dragen en in de (ceremonie)wagen plaatsen, de nabestaanden begeleiden en/of de (ceremonie)wagen besturen en net houden.

Vanaf 1 januari 2023 werd het takenpakket van de gelegenheidswerker uitgebreid met:

• rouwdrukwerk klaarmaken voor verzending: plooien, in omslagen steken;

• kleine werkzaamheden op de begraafplaats uitvoeren, zoals accessoires plaatsen of wegnemen;

• kleine, niet-regelmatige onderhoudswerkzaamheden in en aan gebouwen in functie van bezoeken en ceremonies uitvoeren

Deze uitbreiding gebeurde op basis van artikel 50 van de programmawet van 26 december 2022 (publicatie Belgisch Staatsblad 30 december 2022), die wijzigingen aanbracht op de RSZ-wet (eerder gewijzigd door de wet van 21 december 2018).

Meer work-life balance – Welke veranderingen brengt cao 162?

Binnen de Nationale Arbeidsraad werd een nieuwe cao nr. 162 gesloten ter omzetting van de Europese richtlijn 2019/1158 van 20 juni 2019 over het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers (Work-Life-richtlijn).

Wat betekent dit voor de werkgever?

Werknemers kunnen voortaan een flexibele werkregeling binnen het bedrijf vragen, dit om te zorgen voor kinderen tot de leeftijd van 12 jaar of voor gezins- of familieleden die ernstig ziek zijn. Het gaat niet om nieuwe stelsels of verloven maar om de mogelijkheid om in overleg de bestaande arbeidsregeling aan te passen waar dit mogelijk is.

Enerzijds moet de werkgever hierbij rekening houden met de door de werknemers geuite behoeften. Anderzijds kan de werkgever economische of organisatorische redenen aanvoeren om een eventueel uitstel of een weigering te rechtvaardigen, of hij kan ook een alternatieve oplossing voorstellen.

Er geldt een anciënniteitsvoorwaarde van zes maanden voorafgaand aan de schriftelijke aanvraag.

De aanvraag van een flexibele werkregeling is mogelijk voor een periode van maximum 12 maanden.

De aanpassing van het bestaande werkpatroon kan de volgende vormen aannemen:

• werken op afstand (bijvoorbeeld telewerk o.b.v. cao nr. 85 structureel telewerk);

• een aanpassing van het werkrooster (bijvoorbeeld flexibele werkuren);

• een vermindering van de arbeidstijd.

Vervroegd terugkeren uit de flexibele werkregeling is mogelijk, en dit met waarborgen om de oorspronkelijke werkregeling te kunnen hervatten.

Let op, de werknemer is beschermd tegen een nadelige behandeling door de werkgever (sanctie: 2 tot 3 maanden loon), en ook tegen ontslag (sanctie: 4 tot 6 maanden loon).

***

De nieuwe cao is in werking getreden op 1 oktober 2022.

Voor meer informatie kunt u contact nemen met het team arbeidsrecht.

2023: zaterdag geen werkdag meer

Of uw onderneming nu actief is op een zaterdag of niet, vanaf 2023 wordt zaterdag niet meer beschouwd als een werkdag voor de berekening van termijnen.

Dit is bijvoorbeeld het geval voor de termijn van drie dagen binnen dewelke een ontslag om dringende reden dient te worden gegeven alsook voor de termijn van drie dagen binnen dewelke de dringende reden moet worden meegedeeld aan de werknemer. Op dit ogenblik legt dit soms veel druk op de werkgever die een ontslag om dringende reden binnen deze termijnen wenst door te voeren, met name als er gewoonlijk zaterdag niet gewerkt wordt.

Tot nu toe wordt zaterdag ook meegeteld voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst. De opzeggingstermijn vangt immers aan op de eerstvolgende maandag na het versturen van de aangetekende opzeggingsbrief. De aangetekende brief wordt bij wet geacht drie werkdagen onderweg te zijn. Dit betekent dat de aangetekende brief ten laatste op een woensdag dient verstuurd te worden opdat de opzeggingstermijn de eerstvolgende maandag zou aanvangen. Vanaf 2023 komt ook hierin verandering en moet u de opzeggingsbrief dus uiterlijk op dinsdag versturen.

Let wel, deze wijziging betreft enkel de arbeidsrechtelijke termijnen. In het kader van de feestdagenwetgeving en voor de sociale zekerheid blijft zaterdag een gewone werkdag.

Akkoord bereikt omtrent Europese cryptoactiva regulering (MiCA)

De markt in cryptoactiva wordt regelmatig vergeleken met het wilde westen omwille van het gebrek aan een reglementair kader. Dit staat echter op het punt te veranderen (in zekere mate) nu de Europese Raad en het Europees Parlement een provisioneel akkoord hebben bereikt omtrent de Verordening betreffende Markten in Cryptoactiva (MiCA). Het voorstel, dat dateert van september 2020, tracht enerzijds een veiligere markt voor investeerders te creëren en anderzijds het ter beschikking stellen van de nodige tools om de digitale revolutie te bevorderen.

Een regelgevend kader ter omarming van het digitale tijdperk

De opkomst en het triomf van cryptomunten, zoals Bitcoin, is niet onopgemerkt gebleven. De afgelopen jaren is de populariteit ervan enorm toegenomen. Deze snelle innovatie heeft echter veel lacunes in de regelgeving veroorzaakt. Wereldwijd hebben nationale jurisdicties geprobeerd om sommige van deze leemtes op te vullen via de uitvaardiging van nationale reglementering. Zo heeft de Belgische wetgever enkele (kleine) reguleringsstappen gezet door het amenderen van de Anti-Witwaswet van 2017 en het opleggen van een verplichte registratie voor crypto exchanges (voor zover zij handelen tussen virtuele en fiatvaluta) en wallet providers bij de Belgische toezichthouder. Aanbieders van dergelijke diensten van buiten de EER werden zelfs uit België geweerd.

Aangezien cryptoactiva blockchain instrumenten zijn die gemakkelijk wereldwijd verhandeld kunnen worden, is er altijd al een vanzelfsprekende nood geweest aan regelgeving met een omvangrijkere werkingssfeer. De EU heeft daarom eindelijk een regionaal regelgevend kader goedgekeurd dat streeft naar meer zekerheid, innovatie, bescherming en financiële stabiliteit in het licht van de interne markt.

Niet alle soorten cryptoactiva zijn onderhevig aan MiCA. Het voorstel maakt een onderscheid tussen drie verschillende tokens: (1) utility tokens, (2) asset-referenced tokens en (3) electronic money tokens. De uitgifte van zowel asset-referenced tokens als electronic money tokens zal streng worden gereguleerd. Bepaalde cryptovaluta zoals Bitcoin vallen niet onder een van deze categorieën. De meeste stablecoins kunnen langs de andere kant wel gekwalificeerd worden als asset-referenced tokens.

Een vloed van regelgeving

MiCA bevat allereerst regels die voorzien in transparantie- en openbaarmakingsverplichtingen voor de uitgave en toelating tot verhandeling van cryptoactiva. Een zogenaamde ‘white paper’ zal de rol vervullen van informatiedocument waarin alle verplichte informatie zal worden opgenomen. Gedetailleerde beschrijvingen van de uitgever, het type cryptoactiva, de onderliggende technologie en standaarden, de rechten en verplichtingen verbonden aan de cryptoactiva en veel meer zullen in dit document worden voorzien. Daarenboven moet het informatiedocument een beknopte en niet-technische samenvatting bevatten met alle essentiële informatie.

Ten tweede omvat MiCA regels inzake de vergunningverlening aan en het toezicht op dienstverleners inzake cryptoactiva en emittenten van asset-referenced tokens of electronic money tokens. Daarnaast worden er regels voorzien met betrekking tot de werking, organisatie en bestuur van deze dienstverleners en emittenten. Zo moeten er bijvoorbeeld effectieve beleidslijnen en procedures worden geïmplementeerd ter voorkoming van belangenconflicten.

Ten slotte worden, om de risico’s van de markt voor cryptoactiva voor consumenten en andere actoren te beperken, regels voor de uitgifte, verhandeling, uitwisseling en bewaring van cryptoactiva vastgesteld, alsook maatregelen om marktmisbruik te voorkomen. Voor aanbieders van diensten inzake cryptoactiva zal onder meer een algemene verplichting gelden om zich in te zetten voor de belangen van hun cliënten. Voorts zal het bekende verbod op handel met voorwetenschap (insider trading) van toepassing zijn bij de verwerving of vervreemding van cryptoactiva.

Invloed op de financiële markt

MiCA zal heel wat leemtes opvullen die dringend moeten worden opgevuld. Regelgeving op EU-niveau biedt de Europese burgers beslist meer zekerheid en bescherming dan nationale wetgeving, en zorgt er bovendien voor dat de crypto-industrie ongehinderd en op hetzelfde niveau kan opereren in de hele EU.

Volgens sommigen valt het te betreuren dat MiCA niet ambitieuzer is, vooral wat duurzaamheid betreft. Het verzet van de industrie tegen eerdere versies van MiCA maakte bepaalde compensaties onvermijdelijk. Desondanks is het een eerste stap in de goede richting.

Men kan zich afvragen of regionale wetgeving effectief voldoende bescherming zal bieden tegen een globaal fenomeen. Alleen wereldwijde normen voor cryptoactiva zullen de grootst mogelijke bescherming bieden, maar deze zijn natuurlijk zeer moeilijk te bereiken. Wellicht kan de EU een voortrekkersrol spelen in de cryptoregulering en zullen er meer volgen, zoals ze dat ook hebben gedaan met betrekking tot privacywetgeving.

MiCA zal naar verwachting in 2024 in werking treden na een stemming in het Europees Parlement, dat de tekst waarschijnlijk in eerste lezing met beperkte amendementen zal goedkeuren.

Contact: Dieter Veestraeten: dve@astrealaw.be, Jan Van Loon:jvl@astrealaw.be

Vlaamse Regering voortaan exclusief bevoegd voor grootschalige windprojecten

Omwille van de vereiste expertise en eenvormigheid, zal vanaf 1 september 2022 enkel de Vlaamse Regering vergunningsaanvragen behandelen voor windturbines vanaf 1.500 kW. Voorheen deelde de Vlaamse Regering deze bevoegdheid met de provinciale deputaties.

Met deze herverdeling wordt een eenvoudigere bevoegdheidsregeling beoogd met minder mogelijkheden tot betwistingen. Provincies zullen niet langer finaal beslissen over vergunningsdossiers van windturbines op land. Hierdoor zal de administratieve procedure verkorten, krijgen de aanvragers sneller zekerheid en boekt men meerdere maanden tijdswinst.

In de huidige procedure wordt een vergunningsaanvraag voor nieuwe windturbines op land in eerste instantie behandeld door de provincie zelf en eventueel daarna opnieuw in een beroepsprocedure bij de Vlaamse Regering. Vanaf 1 september 2022 zal echter dit administratief beroep niet meer mogelijk zijn en staat enkel nog een beroep open bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

Hiermee wordt een belangrijke stap gezet in het kader van energietransitie, die een belangrijke rol speelt in het behalen van de klimaatdoelstellingen. De lange en moeizame procedures worden immers als één van de belangrijkste oorzaken gezien voor de trage ontwikkeling van windparken in Vlaanderen.

Voor meer informatie kan u steeds contact opnemen met het team Omgevingsrecht van Astrea: Ciska Servais, Philippe Van Wesemael, Ilse Cuypers, Yannick Ballon, Benoit Forêt, Nino Vermeire, Jonas Deckers, Victoire Willemot

Een nieuwe wet auteursrechten en naburige rechten in de digitale markt

De Europese Richtlijnvan 17 april 2019 inzake het auteursrecht en het naburig recht in de digitale markt
(Richtlijn (EU) 2019/790 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging van Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG), de zogenoemde DSM ( Digital Single Market ) richtlijn, diende op 7 Juni 2021 te worden omgezet in nationale wetgeving. België was één maar niet de enige slechte leerling van de klas.

In België is de richtlijn geïmplementeerd in het “Wetsontwerp tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/790 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging van Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG”, en aangenomen door het federale parlement op 16 juni 2022.

Het heeft dus 3 jaar geduurd om de Richtlijn van april 2019 om te zetten naar Belgisch recht. De wet is nog niet gepubliceerd maar de publicatie zal niet lang op zich laten wachten.

Wat betekent dit nu concreet?

De wet bevat vele onderwerpen, zoals:

• uitzonderingen op het auteursrecht en naburig recht voor tekst- en datamining;

• uitzonderingen op het auteursrecht en naburig recht voor onderwijs in een elektronische omgeving;

• bepalingen voor de exploitatie door musea, bibliotheken en archieven van werken die niet meer in de handel beschikbaar zijn;

• een nieuw naburig recht voor persuitgevers;

• bepalingen inzake het delen van beschermde content door onlinediensten;

• bepalingen inzake het contractenrecht voor auteurs en uitvoerende kunstenaars.

Dus

a. nieuwe verplichte uitzonderingen, geïnspireerd door het ontstaan van digitale technologieën inzake onderzoek, onderwijs, innovatie, en behoud van het cultureel erfgoed waarvoor nog geen uitzonderingsregeling bestond.

b. ruimere toegang voor het publiek tot beschermde content die niet meer in de handel beschikbaar is

c. verbetering van de positie van rechthebbenden m.n.

° de persuitgevers via een nieuw naburig recht

° de auteurs en uitvoerende kunstenaars via nieuwe bepalingen in het contractenrecht

° de gebruikers via nieuwe bepalingen i.v.m. het delen van beschermde content (user generated content) door onlinediensten

We bespreken hier alleen punt c., voor vragen betreffende alle punten bent u uiteraard steeds welkom bij het Astrea IP team op ip@astrealaw.be.

Een nieuw naburig recht voor persuitgevers

De wet introduceert een nieuw naburig recht voor persuitgevers. Dit recht regelt het verstrekken door persuitgevers van licenties voor het online gebruik van hun publicaties inclusief via een vergoeding voor hun investeringen.

Voor elk online gebruik (reproductie en beschikbaar stellen aan het publiek) zullen de dienstverleners in de informatiemaatschappij zoals Google, Yahoo e.a., dus niet de individuele gebruiker, de toestemming van de persuitgevers dienen te bekomen en zulks via licentieovereenkomsten. De persuitgevers hoeven hiervoor niet zelf over het auteursrecht te beschikken. De levensduur van dat nieuwe recht is beperkt tot twee jaar.

Omdat de (grote) bedoelde dienstverleners het de persuitgevers soms moeilijk maken in de onderhandelingen over licenties en dus licentievergoedingen voorziet de wet in een arbitrageprocedure die bij het BIPT (Belgisch instituut voor pot en telecommunicatie) kan worden gevoerd. Tegen de arbitrage beslissing kan beroep worden ingediend bij het Marktenhof bij het brusselse Hof van Beroep.

Tenslotte weze opgemerkt dat da wet ook voorziet dat auteurs van werken die verwerkt zijn in een perspublicatie recht hebben op een vergoeding m.n. een deel van de inkomsten die de persuitgevers ontvangen voor het gebruik van hun publicaties door de dienstverleners van de informatiemaatschappij.

Maatregelen om auteurs en uitvoerende kunstenaars (acteurs, zangers, muzikanten, …) een passende en billijke vergoeding te waarborgen

Deze maatregelen houden o.a. het volgende in:

• een transparantieverplichting vanwege producenten en uitgevers t.a.v. auteurs en uitvoerende kunstenaars betreffende de exploitatie en de daaruit afkomstige inkomsten;

• een succes fee systeem voor auteurs en uitvoerende kunstenaars indien de oorspronkelijke overeengekomen vergoeding te laag is in verhouding tot het onvoorziene succes van de exploitatie;

• een herroepingsrecht voor auteurs en uitvoerende kunstenaars, dus de mogelijke terugvordering van hun rechten, indien hun werken en prestaties niet worden geëxploiteerd;

• een buitengerechtelijke geschillenregeling.

Nieuwe regels voor het delen van beschermde content

• De aanbieders van een onlinedienst zoals Facebook, Youtube, Tiktok, … moeten toestemming krijgen van de rechthebbenden wanneer zij het publiek toegang verschaffen tot auteursrechtelijk beschermde werken of andere beschermde materialen die door hun gebruikers zijn geüpload (user generated content of UGC). Zonder de toestemming van de rechthebbenden zijn de aanbieders dus aansprakelijk voor de niet-toegestane mededeling aan het publiek, tenzij zij kunnen bewijzen dat zij alles in het werk hebben gesteld om de nodige toestemming te verkrijgen. De rechthebbenden krijgen recht op een vergoeding.

• De wet voorziet dat rechthebbenden kunnen eisen dat content online wordt verwijderd en voorziet in een nieuwe kortgedingprocedure die online inbreuken moet bestrijden. De dienstverleners zullen concrete maatregelen moeten nemen om de content te verwijderen.

Het wetsontwerp dat werd goedgekeurd vind u hier.

Het is nu wachten op de publicatie.

Voor additionele toelichting betreffende de nieuwe wet kunt u steeds terecht bij Christine De Keersmaeker ( cdk@astrealaw.be), Thaissa Nuyens ( tnu@astrealaw.be), Levi Van Dijck ( lvd@astralaw.be ), Yuki Choy ( ych@astrealaw.be) en Katrijn Huon ( khu@astrealaw.be) .

Versterking van de boscompensatieregeling op til

Het ontwerp van het bosuitbreidingsdecreet werd door de Vlaamse Regering op 13 mei 2022 definitief goedgekeurd, en wordt nu door het Vlaams Parlement onder de loep genomen. Dit decreet heeft als doelstelling de uitbreiding van bossen met 4.000 ha tegen eind 2024.

Om tegemoet te komen aan deze doelstelling, is het ook belangrijk om de bestaande bossen te beschermen. In dat kader komt de bestaande boscompensatieregeling in het vizier, die mits compensatie toelaat om af te wijken van het principieel verbod op ontbossing. Er werd echter vastgesteld dat in de voorbije 20 jaar te weinig boscompensaties werden gerealiseerd.

Het ontwerp van decreet voorziet daarom o.a. in de versterking van de boscompensatieregeling met als principiële doelstelling om elke compensatie voor ontbossing ook daadwerkelijk te realiseren. De Vlaamse Regering voorziet hiervoor in een aantal wijzigingen van de regelgeving. Zo zou een ontbossing van openbaar bos steeds in natura moeten worden gecompenseerd. Verder wordt de vergunningverlenende overheid meer betrokken in de realisatie van boscompensatie. Zo wordt haar de mogelijkheid gegeven om binnen vastgestelde limieten zelf de bosbehoudsbijdrage te bepalen en om de boscompensatie al dan niet zelf uit te voeren. Op die manier kunnen bebossingen op goed doordachte plaatsen gebeuren.

Daarnaast wordt de samenwerking tussen de Vlaamse overheid en de besturen bijgeschaafd met het oog op de optimalisering van het beheer van natuurgebieden.

Ten slotte wordt de strafrechtelijke bescherming van bossen versterkt door het uniformiseren van de rechterlijke bevoegdheid voor misdrijven tegen het Bosdecreet om misverstanden en onontvankelijke dagvaardingen te vermijden. Deze misdrijven zullen volledig onder de bevoegdheid van de correctionele rechter komen.

Voor meer informatie kan u steeds contact opnemen met het team Omgevingsrecht van Astrea.

Een loonbonus toekennen in 2022? Het kan nog.

De regeling van het niet-recurrente resultaatsgebonden voordeel of de ‘loonbonus’ maakt het mogelijk om aan de hand van duidelijk meetbare en verifieerbare collectieve doelstellingen alle werknemers – of een specifieke groep van de onderneming – op een (para)fiscaal gunstige manier te belonen.

De doelstellingen moeten op voorhand vastgelegd worden in een cao of een toetredingsakte, en het resultaat (het al dan niet behalen van de collectieve doelstellingen) moet onzeker zijn.

Wanneer een doelstelling wordt behaald, kan een individuele bedrag toegekend van maximaal 3.558 euro (in 2022) worden toegekend. Dit bedrag wordt door de RSZ niet beschouwd als loon. Wel is een bijzondere werkgeversbijdrage van 33% en een solidariteitsbijdrage van 13,07% door de werknemer verschuldigd.

Voor de werknemers is dit interessant aangezien een bedrag van 3.094 euro (in 2022) vrijgesteld is van bedrijfsvoorheffing.

Voor de werkgever is dit interessant aangezien de bijzondere sociale zekerheidsbijdrage alsook het bedrag van de loonbonus zelf voor 100% aftrekbaar zijn als beroepskost.

Let op: Een bonusplan moet worden neergelegd alvorens 1/3de van de referteperiode is verstreken. Een bonusplan invoeren voor het hele kalenderjaar 2022 is dus niet meer mogelijk.

Indien de referteperiode betrekking heeft op een andere periode waarvan nog geen 1/3de is verstreken, is invoering van het plan nog mogelijk.

Stookoliefonds Promaz – 1 april 2022

Sinds 1 april 2022 is het stookoliefonds Promaz volledig operationeel. Alle eigenaars of gebruikers van een in België gelegen lekkende mazouttank die gebruikt wordt of werd voor de verwarming van gebouwen, kunnen zich beroepen op het fonds. Het fonds kan de financiering én de uitvoering van de bodemsanering op zich nemen onder een aantal voorwaarden. Bovendien beperkt het fonds haar tussenkomst niet enkel tot nog in de toekomst uit te voeren saneringen, maar gaat het ook over tot terugbetaling van saneringen die reeds zijn uitgevoerd.

Heeft u een vermoeden dat de bodem is verontreinigd door een lekkende mazouttank of – leiding, of heeft u in het verleden al een bodemsanering uitgevoerd? Dan kan u zich op www.promaz.be aanmelden, waarna er met u contact zal worden opgenomen om een dossier te openen. Een aanvraag kan worden ingediend tot en met 28 februari 2025.

Voor verdere vragen of bijstand kan u steeds terecht bij het team milieurecht van Astrea.

Openbaar onderzoek over het ontwerp-PAS

In het kader van de stikstofproblematiek organiseert de Vlaamse overheid van 19 april tot en met 17 juni 2022 een openbaar onderzoek over het ontwerp-PAS (Programmatische Aanpak Stikstof) en het daarbij opgestelde ontwerp-plan-milieueffectrapport (MER) dat de effecten van de PAS op het leefmilieu in kaart brengt.

De PAS heeft als doel de depositie van stikstof op speciale beschermingszones structureel en planmatig terug te dringen en een toekomstgericht, werkbaar en rechtszeker kader te bieden voor vergunning- en toestemmingverleningen. Op die manier wil de Vlaamse overheid bijdragen aan de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor Europees beschermde natuur.

De PAS zal zich baseren op gebiedsgerichte analyses waarbij emissies en deposities van stikstofoxiden en ammoniak in kaart worden gebracht. De PAS wordt gezien als een realisatiegericht programma met als belangrijkste onderdelen:

• Brongerichte maatregelen om de emissie en depositie van stikstof te verminderen;

• Een stikstofsaneringsplan met herstelmaatregelen voor de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu in speciale beschermingszones;

• Kaders voor de beoordeling van de impact van activiteiten die stikstofoxiden of ammoniak uitstoten;

• Een pakket flankerende maatregelen om sectorinspanningen te ondersteunen;

• Een systeem voor monitoring en borging van de programmadoelen.

Het ontwerp-PAS en het ontwerp-plan-MER zijn raadpleegbaar vanaf 19 april 2022 op de website van het Departement Omgeving.

Reacties, opmerkingen of bezwaren kunnen ingediend worden bij de gemeente. Dit dient te gebeuren voor 17 juni 2022.

Een digitaal info- en participatiemoment gaat door op dinsdag 10 mei 2022, om 14u tot 16u. Inschrijven hiervoor is verplicht en kan tot en met 5 mei 2022.

Neem gerust contact op met ons team omgevingsrecht om na te gaan wat de PAS voor u betekent en of het zinvol is om bezwaren of opmerkingen in te dienen.

Direct marketing vanaf nu eenvoudiger bij publiek beschikbare persoonsgegevens? Zet de GBA de deur open naar een soepelere toepassing van de regels?

Doorgaans wordt de GDPR beschouwd als een strak keurslijf die heel wat minder ruimte laat voor marketeers wanneer er geen toestemming (“opt-in”) van de betrokkene voorligt.

Slechts in eerder uitzonderlijke omstandigheden kan de verwerkingsverantwoordelijke direct marketing verantwoorden op basis van zijn/haar “gerechtvaardigd belang”. Om zich op deze rechtsgrond te kunnen beroepen moet de verwerkingsverantwoordelijke nagaan of er aan drie voorwaarden cumulatief voldaan wordt, namelijk (i) de verwerkingsverantwoordelijke of een derde aan wie gegevens worden verstrekt, streven een gerechtvaardigd belang na (ii) de verwerking van persoonsgegevens is noodzakelijk voor de realisatie van dit gerechtvaardigd belang (iii) de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene prevaleren niet op het belang van de verwerkingsverantwoordelijke.

Tot onze grote verbazing deed de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) hierover zeer recent (10/03/2022) een opmerkelijke uitspraak (lees hier).

Het voorwerp van de desbetreffende zaak was o.a. het al dan niet ongewenst karakter van direct marketing toegestuurd op het e-mailadres van dhr. X, omdat hij hiervoor voorafgaandelijk zijn toestemming (“opt-in”) niet had gegeven. Er diende daarom nagegaan te worden of de verantwoordelijke zich kon beroepen op een gerechtvaardigd belang, zodat er geen toestemming van de betrokkene moest gevraagd worden voor de toegestuurde direct marketing.

Het e-mailadres x-waarop de direct marketing ontvangen werd, was door dhr. X zelf online beschikbaar gesteld. Dit was voor de Geschillenkamer reeds voldoende om te besluiten dat de betrokkene hiermee noodzakelijkerwijs tot doel had om gecontacteerd te kunnen worden. Bijgevolg moest het binnen zijn redelijke verwachting vallen dat hij via zijn e-mailadres bereikt zou kunnen worden en dit dus ook voor direct marketing doeleinden. De Geschillenkamer meent dus dat de verwerkingsverantwoordelijke in dit geval een gerechtvaardigd belang had om de direct marketing te sturen en niet voorafgaand toestemming moest vragen.

Hiermee lijkt de Geschillenkamer voorbij te gaan aan de e-Privacy Richtlijn die voorschrijft dat een toestemming nodig is voor het toezenden van e-mail marketing en de hoger genoemde drie-staps-test i.k.v. het gerechtvaardigd belang. Bovendien is in aanbeveling nr. 01/2020 van 17 januari 2020 van de GBA een ander standpunt terug te vinden: “Wanneer u nooit enige relatie met een betrokkene heeft gehad, of deze relatie een hele tijd teruggaat zonder dat deze ondertussen werd opgevolgd, kan de rechtsgrond gerechtvaardigd belang niet worden ingeroepen, omdat de ontvangst van uw bericht niet tot hun redelijke verwachtingen behoort”.

Bijgevolg lijkt de uitspraak van de Geschillenkamer een kentering in vergelijking met eerdere aanbevelingen van de GBA. Iedere informatie die publiek beschikbaar gesteld is op basis waarvan contact kan opgenomen worden (zoals e-mail adressen, maar ook bv. telefoonnummers) zou nu gebruikt kunnen worden voor direct marketing op basis van een gerechtvaardigd belang, zonder dat per se een expliciete “opt-in” vereist is. Hiermee zet de Geschillenkamer zelf de deur open voor ondernemingen (marketeers) om een meer doorgedreven marketingbeleid te voeren. Het zich sneller baseren op gerechtvaardigd belang als grondslag en het voorzien van een opt-out, blijkt in die gevallen dan toch voldoende.

Publieke raadpleging over het Strategisch Ruimteplan Antwerpen

Er loopt momenteel een publieke raadpleging over het Strategisch Ruimteplan Antwerpen (SRA).

Het SRA is een ruimtelijk beleidsplan dat een strategische visie en een beleidskader inhoudt die de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de stad Antwerpen uiteen zetten. De strategische visie omvat een toekomstbeeld en een overzicht van belangrijke beleidsopties op lange termijn. De keuzes rond deze doelstellingen van de strategische visie worden uitgewerkt in de beleidskaders. Het doel van zo’n ruimteplan is de ruimtelijke ordening van de stad op een coherente manier voor te bereiden en uit te voeren.

Het huidige ruimteplan van Antwerpen dateert van 2006. De stad blijft echter evolueren en nieuwe uitdagingen zijn opgedoken, reden waarom er een nieuw ruimteplan wordt uitgewerkt dat streeft naar een betere levenskwaliteit van de stad Antwerpen. Hiervoor wordt de mening van de bevolking eveneens in rekening genomen.

Zo loopt er momenteel een publieke raadpleging over de concept- en kennisgevingsnota van het SRA. De conceptnota is de eerste formele stap in de totstandkoming van het nieuw ruimteplan. In de volgende fase, de voorontwerpfase, wordt de inhoud van deze conceptnota verder uitgewerkt, mee op basis van de feedback uit de publieke raadpleging.

U kan tot 14 april 2022 de concept- en kennisgevingsnota inkijken en opmerkingen geven. Die inspraakronde is van groot belang, aangezien het SRA de basis zal vormen voor het stedenbouwkundig beleid van de stad Antwerpen voor de komende jaren, o.a. in de vorm van ruimtelijke uitvoeringsplannen.

De concept- en kennisgevingsnota kan hier geraadpleegd worden.

Voor verdere vragen of bijstand kan u steeds terecht bij het team omgevingsrecht van Astrea.

De arbeidsdeal: naar een betere work-life balance. Maar wat betekent dit voor de werkgever?

Recent heeft de regering knopen doorgehakt omtrent een voorontwerp van wet met tal van arbeidsmaatregelen, beter gekend in de volksmond als de “arbeidsdeal”. Deze arbeidsdeal moet de werkzaamheidsgraad in België doen stijgen van 71% naar 80%.

Dit voorontwerp wordt momenteel voorgelegd aan de sociale partners. De modaliteiten van deze maatregelen kunnen dus nog veranderen.

Wij lichten hieronder enkele maatregelen toe die relevant kunnen zijn in het kader van uw bedrijfsorganisatie. Zij zullen bijkomende administratie vereisen van de werkgever:

Flexibiliteit op initiatief van de werknemer voor een betere work-life balance:

– De werknemer kan verzoeken om diens voltijdse wekelijkse werkduur van 38 uren te presteren op vier werkdagen (in plaats van de gebruikelijke vijf dagen). De maximale dagelijkse arbeidsduur wordt zo op 9,5 uur te gebracht. Om dit mogelijk te maken dient eerst het arbeidsreglement te worden aangepast.

Bij een wekelijkse werkduur tussen de 38 uren en 40 uren, zal de dagelijkse arbeidsduur bij ondernemings-cao verhoogd moeten worden naar 10 uur.

Het verzoek van de werknemer geldt voor maximaal zes maanden, maar kan telkens worden vernieuwd. Deze termijn moet toelaten dat de werknemer ook uit het systeem kan stappen na elke termijn. Er moet een schriftelijke overeenkomst worden opgemaakt.

De werkgever kan het verzoek van de werknemer weigeren, zolang hij deze weigering passend motiveert. Er zou voorzien worden dat een werknemer niet nadelig behandeld kan worden als gevolg van zijn verzoek.

– Op eigen initiatief kan een werknemer verzoeken om een wisselend weekregime. Hiermee bedoelt men een cyclus van twee opeenvolgende weken, waarbij men de ene week wat minder arbeidsuren presteert en de andere week wat meer arbeidsuren. <.p>

De gemiddelde wekelijkse werkduur moet wel worden nageleefd.

Gelijkaardige modaliteiten wat betreft het verzoek en de overeenkomst gelden als bij de vierdagenwerkweek. De werknemer zal in dit geval het recht hebben om het wisselend weekregime vroegtijdig stop te zetten (vb. nog binnen de termijn van zes maanden) mits het respecteren van een bepaalde termijn.

Het recht op deconnectie

– Ondernemingen, die twintig of meer werknemers tewerkstellen, zullen een ondernemings-cao moeten sluiten waarin zij de praktische modaliteiten uitwerken van het “recht om niet bereikbaar te zijn buiten de werkuren” met bijhorende richtlijnen en sensibiliseringsacties.

Deeltijdse variabele uurroosters:

– Indien deeltijdse arbeid gepresteerd wordt volgens een variabel uurrooster zal de werkgever zeven werkdagen op voorhand (in plaats van vijf werkdagen) het toepasselijke uurrooster moeten communiceren.

De mogelijkheid om deze termijn te wijzigen bij algemeen verbindend verklaarde cao blijft behouden maar de minimale bekendmakingstermijn wordt opgetrokken van één naar drie werkdagen.

De eerdere uitzonderingen via cao blijven gelden zolang zij niet worden heronderhandeld.

Opleiding

– Ondernemingen, die twintig of meer werknemers tewerkstellen (uitgedrukt in voltijds equivalent), zullen jaarlijks werk moeten maken van een opleidingsplan voor hun werknemers. Het opleidingsplan moet worden opgesteld na raadpleging van de ondernemingsraad of (bij ontstentenis van een ondernemingsraad) de syndicale delegatie of (bij ontstentenis van syndicale delegatie) de werknemers.

– Ondernemingen, die tien of meer werknemers (uitgedrukt in voltijds equivalent) tewerkstellen, zullen uitvoering moeten geven aan een individueel opleidingsrecht, dat gradueel wordt opgetrokken van drie opleidingsdagen per jaar in 2022 tot vijf opleidingsdagen vanaf 2024.

De opleidingen kunnen worden gevolgd tijdens of buiten de werkuren (met betaling van het gewoon loon).

Nieuwigheden bij ontslag

– Het transitietraject wordt in het leven geroepen. Een werknemer zal tijdens de prestatie van diens opzeggingstermijn ter beschikking mogen worden gesteld van een andere werkgever-gebruiker via een arbeidsbemiddelingsdienst of een uitzendbureau.

De werkgever zal het loon moeten betalen dat de werkgever-gebruiker normalerwijze zou betalen (maar maximaal zijn/haar lopende loon bij de werkgever). De werkgever-gebruiker moet een gedeelte van het loon betalen aan de werkgever.

Indien het transitietraject voltooid wordt bij de werkgever-gebruiker ontstaat er een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur met de werkgever-gebruiker. Voor de berekening van de anciënniteit zal de periode van het transitietraject meetellen.

– Voor werknemers met een opzeggingstermijn van minstens 30 weken, zal de opzeggingstermijn opgesplitst worden in het eerste gedeelte (2/3 met een minimum van 26 weken) en het tweede gedeelte (1/3). Tijdens het tweede gedeelte van de opzeggingstermijn zullen de werknemers zich ter beschikking moeten houden voor inzetbaarheidsbevorderende maatregelen. Deze zullen gefinancierd worden met de werkgeversbijdragen op dit gedeelte van de verbrekingsvergoeding. De werknemers die de opzeggingstermijn presteren, zullen tijdens dit gedeelte afwezig mogen zijn met behoud van loon om opleidingen te volgen die bevorderend zijn voor de werkzaamheid. Deze regeling vult de bestaande outplacementregeling aan.

Het definitieve ontwerp ligt momenteel voor advies bij de Nationale Arbeidsraad, die hiervoor de tijd heeft tot 6 mei 2022.

Wij volgen de materie alvast op de voet en houden u verder op de hoogte!

Vlaamse regering bereikt “krokusakkoord” en houdt vast aan streng stikstofkader

De Vlaamse regering heeft vannacht een akkoord bereikt over de bouwshift (of betonstop) en de stikstofkwestie.

In het bereikte krokusakkoord houdt de Vlaamse regering vast aan de strengere stikstofnormen die werden geïntroduceerd in de ministeriële instructie van 2 mei 2021. Concreet betekent dit dat de impact van de ammoniakuitstoot van de veeteelt en mestverwerking op de omliggende natuur beperkt moet blijven tot 0 procent. Voor NOx, de uitstoot van de industrie en het transport, bedraagt de drempel 1 procent. Men zal elk project dat boven deze drempels uitkomt, moeten onderwerpen aan een passende beoordeling om zo de negatieve impact in kaart te brengen en waar nodig maatregelen te nemen om de emissie te beperken.

Het overgrote deel van de landbouwers kunnen hun activiteiten verderzetten. Een 120-tal landbouwbedrijven, die vallen onder de zware uitstoters en kwalificeren als “oranje” bedrijven, kunnen enkel onder strenge voorwaarden hun activiteiten verderzetten. Zij zullen hiervoor moeten investeren om te voldoen aan de milieuvoorwaarden, dan wel beslissen ermee te stoppen en te kiezen voor een uitkoopregeling. De 40 andere landbouwbedrijven en 2 mestverwerkers, die vallen onder de meest vervuilende “rode” bedrijven, hebben een te grote impact op de natuur en zullen tegen 2025 moeten stoppen.

Verder werd er in het krokusakkoord een akkoord bereikt over de zogenaamde “bouwshift”, die inhoudt dat er tegen 2040 in Vlaanderen geen open ruimte meer aangesneden wordt. In dat kader werd overeengekomen om een lokaal bouwshiftfonds op te richten. De regering zal hier tot 2040 elk jaar 100 miljoen euro in storten. De bedoeling van dit fonds is om de lokale besturen te ondersteunen bij het vergoeden van eigenaars van bouwgronden in woonuitbreidingsgebied waarvan de bestemming omgezet wordt naar bosgrond of landbouwgebied.

Renovatieverplichting voor niet-residentiële gebouwen

Sinds 1 januari 2022 geldt er een renovatieverplichting (na eigendomsoverdracht) voor elk niet-residentieel onroerend goed in Vlaanderen. Men hoopt hiermee tegen 2050 de CO2-uitstoot van alle gebouwen drastisch te reduceren, en zo de Vlaamse Klimaatstrategie 2050 een handje te helpen.

Uit cijfers blijkt dat wel 28% van de CO2-uitstoot afkomstig is van versleten daken en slecht geïsoleerde muren, ramen en deuren, en dit niet alleen in particuliere woningen maar ook in niet-residentiële onroerende goederen.

Om die reden werd begin dit jaar de verplichting ingevoerd om bij de verkoop van elk niet-residentieel onroerend goed op te leggen dat dit goed binnen de vijf jaar na het verlijden van de akte aan vier energiebesparende maatregelen moet voldoen.

Daarbovenop zal een verplichting gelden voor kleine niet-residentiële gebouwen (tot 500 m²) om binnen de vijf jaar na overdracht een energieprestatielabel C of beter te behalen. Grote niet-residentiële gebouwen (vanaf 500 m²) moeten ingericht worden om een minimaal aandeel (5%) aan hernieuwbare energie te voorzien.

Deze renovatieverplichting geldt bij iedere eigendomsoverdracht of vestiging van een erfpacht- of opstalrecht, en kan potentieel verstrekkende financiële en praktische gevolgen hebben bij vastgoedtransacties.

Standaardwerk verschenen over de nieuwe Belgische wetgeving rond ‘pré-pack’ reorganisaties en ‘pre-insolvency’

Er is een standaardwerk verschenen over de nieuwe Belgische wetgeving rond “pré-pack” reorganisaties en “pre-insolvency”. Het boek is een uitgave in het Frans en bevat een belangrijk rechtsvergelijkend hoofdstuk waarin de situatie in andere Europese landen wordt geanalyseerd. Astrea-partner Louis Verstraeten heeft samen met twee Nederlandse correspondenten Sergei Parijs en Henk Ligtenbarg het deel over de Nederlandse WHOA (Wet Homologatie Onderhands Akkoord) verzorgd. De WHOA is op 1 januari 2021 in Nederland ingevoerd en sindsdien een veelgebruikt instrument om bedrijven te reorganiseren en herstructureren zonder faillissement.

België heeft een grote voorsprong met de mogelijkheden die sinds de WCO (Wet Continuïteit Ondernemingen) in 2009 zijn ingevoerd om dreigende insolventie in een vroeg stadium te detecteren en te remediëren door middel van buitengerechtelijke oplossingen zonder negatieve publiciteit. Om dit te doen slagen, is er soms een publieke procedure nodig als sluitstuk, waarvan de duur zo kort mogelijk wordt gehouden. Die procedure eindigt dan met een homologatievonnis dat de juridische zekerheid geeft aan alle stakeholders die bij de reorganisatie worden betrokken.

In een vorig jaar verschenen Engelstalige publicatie heeft Louis Verstraeten al duiding gegeven over de pre-pack, samen met een overzicht van de wetswijzigingen die in 2021 en 2022 op stapel stonden.

Nieuwe (vijfde) druk van het boek “Vastgoed & de complexe papierwinkel: wat u zeker niet mag vergeten!” beschikbaar

De nieuwe (vijfde) druk van het boek “Vastgoed & de complexe papierwinkel: wat u zeker niet mag vergeten!” is beschikbaar. Het boek is geschreven door Ciska Servais, Merel Huybrechts, Yannick Ballon, Matthias Helsen, Benoit Forêt & Jonas Deckers en biedt een overzicht van de attesten die nodig zijn bij verkoop of verhuur in de drie gewesten.

Voor meer informatie over deze nieuwe editie, klik hier.

Benoit Forêt publiceert in het Tijdschrift voor Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw

Benoit Forêt van Astrea’s team omgevingsrecht publiceerde een artikel in het Tijdschrift voor Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw dat ingaat op de integratie van gemeentelijke en gewestelijke rooilijnplannen in ruimtelijke uitvoeringsplannen en projectbesluiten.

Dit artikel gaat dieper in op de mogelijkheden die de bestaande wetgeving biedt om rooilijnplannen in deze ruimtelijke processen te integreren, en omschrijft verschillende procedurele en inhoudelijke aandachtspunten waarmee in dat kader rekening gehouden moet worden. De tekst beoogt een concrete en praktische wegwijzer te bieden aan planoverheden die een dergelijke integratie zouden overwegen in planningsprocessen of complexe projecten.

De volledige bijdrage is terug te vinden in de recent gepubliceerde 103de aflevering van het Tijdschrift voor Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw. Voor meer vragen kan u steeds terecht bij Benoit Forêt.

Het Vlaams Gemeentewegendecreet doorstaat grotendeels de toets van het Grondwettelijk Hof

Op 7 oktober sprak het Grondwettelijk Hof zich deels positief uit over het decreet van het Vlaamse Gewest van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen. Het Hof verwierp vrijwel alle beroepen tegen het decreet, met uitzondering van het beroep tegen de bepaling die betrekking heeft op de verplaatsing van gemeentewegen.

Het Gemeentewegendecreet voert een uniform juridisch statuut in voor alle wegen waarvan de gemeente de beheerder is. De decreetgever heeft de bedoeling om de versnipperde bestaande regelgeving inzake gemeentewegen te harmoniseren en te moderniseren. De algemene doelstelling van het Decreet is om de gemeenten de mogelijkheid te geven deze regelgeving verder te verfijnen en op basis daarvan actieplannen op te maken rekening houdende met de algemene doelstellingen van het decreet.

De publicatie van het Gemeentewegendecreet zorgde al meteen voor de nodige ophef en er werden verschillende beroepen ingesteld, o.a. door de vzw Landelijk Vlaanderen, dat argumenteerde dat de decreetgever zich vooral had gericht op de voordelen van de openstelling van de gemeentewegen aan het publiek en hierdoor de eigenaars en hun bijkomende lasten uit het oog verloren was.

Het decreet doorstaat de toets van het Grondwettelijk Hof behoudens het geviseerde artikel 26 § 3 van het decreet dat een onverantwoord verschil in behandeling implementeert tussen de eigenaar van de grond waarop een nieuwe gemeenteweg of nieuw wegdeel zal worden aangelegd en de eigenaar van de grond waarop een bestaande gemeenteweg zal worden (her)aangelegd, gewijzigd of verplaatst.

Het Hof is van mening dat de plicht in hoofde van de gemeente tot verwerving/onteigening van de onroerende goederen vereist is in geval van het aanleggen van een nieuwe gemeenteweg, ook moet gelden voor de verplaatsing van een gemeenteweg op privaat domein, omdat er hierbij steeds de aanleg van een nieuwe gemeenteweg of een nieuw wegdeel tot stand komt, zo stelt het Hof in arrest nr. 130/2021.

Met dit oordeel van het Hof kunnen de Vlaamse gemeenten nu volop aan de slag met hun lokaal wegenbeleid.

Herstelpakket voor kapitaalmarkten

De COVID-19-pandemie heeft naast de gevolgen voor mensen, bedrijven en gezondheidszorgstelsels, ook gevolgen voor economieën en financiële stelsels van de Europese lidstaten.

Volgens de Europese Commissie zullen liquiditeit en de toegang tot financiering knelpunten blijven na de COVID-19-pandemie.

Het herstel van de zware economische schok noopt tot beperkte maar gerichte wijzigingen in Europese wetgeving inzake financiële diensten. De aanpassingen in de Europese wetgeving hebben tot doel onnodige bureaucratie te vermijden en maatregelen te treffen die de economische onrust verzachten door middel van een vermindering van de administratieve lasten voor de financiële sector.

De Europese wetgever heeft ervoor gekozen de Markets in Financial Instruments Directive II (hierna MiFID II) te wijzigen door de introductie van Richtlijn 2021/338 van 16 februari 2021 met betrekking tot de wijziging van MiFID II om bij te dragen aan het herstel van de COVID-19-crisis. MiFID II is een Europese richtlijn die onder meer regels omvat voor financiële instellingen die beleggings- en/of nevendiensten verrichten, nl. die inzonderheid financiële instrumenten en gestructureerde deposito’s verdelen.

De vereisten van MiFID hebben tot doel elke categorie van beleggers te beschermen, dat wilt zeggen niet- professionele cliënten, professionele cliënten en in aanmerking komende tegenpartijen. Sommige van de vereisten hebben de vlotte uitvoering van beleggingsbeslissingen belemmerd. Door de wijziging van MiFID II wordt de verlening van beleggingsdiensten en het verrichten van beleggingsactiviteiten vergemakkelijkt terwijl de bescherming van de beleggers gewaarborgd blijft.

De belangrijkste wijzigingen houden verband met informatie- en rapportagevereisten

• Een vrijstelling van voorafgaande informatieverstrekking over de kosten en provisies met betrekking tot overeenkomsten tot aankoop of verkoop van financiële instrumenten op afstand.

 Wanneer de vrijstelling van toepassing is, zullen beleggingsondernemingen in staat zijn om, zonder onnodige vertraging, informatie over kosten en provisies na de sluiting van de transactie te verstrekken indien de belegger ermee heeft ingestemd om deze informatie later te ontvangen en de mogelijkheid heeft gekregen de transactie uit te stellen tot hij de informatie heeft ontvangen;

• Beleggingsondernemingen kunnen overschakelen van schriftelijke communicatie naar elektronische communicatie naar beleggers.

 Particuliere beleggers kunnen er wel voor kiezen om papieren mededelingen te blijven ontvangen.

De EU-lidstaten moeten de snelrechtwijzigingen uiterlijk op 28 november 2021 omzetten in nationale wetgeving om vervolgens op 28 februari 2022 in werking te laten treden.

De gerechtelijke reorganisatie procedure met collectief akkoord van ASIT BIOTECH is in overeenstemming met het staatssteunrecht

In een principearrest van 14 september 2021 heeft het Hof van beroep van Luik zich uitgesproken over de verhouding tussen het insolventierecht en het staatssteunrecht.

Het Waals Gewest, dat steun voor onderzoek had verleend aan ASIT BIOTECH in de vorm van terugbetaalbare voorschotten, verzette zich tegen de homologatie van een reorganisatieplan dat voor haar in een schuld reductie voorzag. Volgens het Waals Gewest vormde haar schuldvordering een aparte, van andere private en publieke schuldvorderingen te onderscheiden categorie, die niet gereduceerd kon worden. Ze meende dat een reductie van haar schuldvordering een bijkomende staatsteun zou vormen.

Het Hof volgde de argumenten die door ASTREA werden ontwikkeld (Pieter Paepe en Louis Verstraeten) en verwierp deze argumenten. Het Hof merkt op dat de schuldreductie niet aan de staat toerekenbaar is, omdat deze het resultaat is van een stemming door de schuldeiser: de vermindering van de schuldvordering “is niet het gevolg van een beslissing van de staat, maar van een schuldeisersvergadering”. Het Hof voegt er aan toe dat de rechtbank, die de schuldeisersstemming homologeert, niet over enige marge beschikt: ofwel homologeert ze het plan, ofwel weigert ze de homologatie. Het Hof meent voorts dat ten opzichte van de schuldenaar de individuele schuldeisers zich in dezelfde positie bevinden als het Waals Gewest, zodat ze op gelijke voet staan.

Het resultaat van deze rechtspraak is vernieuwend: de reductie van een schuldvordering die op een terugbetaling van staatssteun is gebaseerd, vormt geen nieuwe staatssteun.

De Tijd 16 September 2021

Nicolas Michiels levert bijdrage aan het boek “Kredieten voor consumenten”

Astrea’s banking & finance associate Nicolas Michiels heeft een bijdrage geleverd aan het boek “Kredieten voor consumenten” (Intersentia), dat op 30 oktober 2021 zal worden gepubliceerd.

Dit boek zet alle juridische regels rond kredieten op een verstaanbare en eenvoudige manier uiteen zodat het ook toegankelijk is voor niet- professionelen.

Het omvat een praktijkgerichte benadering op het verloop van een krediet, gaande van de informatieverplichtingen voorafgaand aan de opening van een krediet tot de beëindiging ervan.

Voor meer informatie kan u terecht op de website van Intersentia.

Nicolas Michiels contributes to the book “Kredieten voor Consumenten”

Astrea’s banking & finance associate Nicolas Michiels has made a contribution to the book “Kredieten voor consumenten” (Intersentia), which will be published on 30 October 2021.

This book sets out all the legal rules concerning credit in an easy-to-understand and straightforward manner making it also accessible to non-professionals.

It includes a practice-oriented approach to the process of credit, covering everything from the information obligations prior to the opening of a credit to its termination.

For more information, please visit the Intersentia website here.

Vernietiging van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Openruimtegebieden Beneden-Nete’ én omgevingsvergunning Sigmawerken

Ciska Servais en Benoit Forêt van het omgevingsrecht-team van Astrea vertegenwoordigden de eigenaar van het beschermde kasteel Ringenhof in Lier in een procedure bij de Raad van State tegen het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Openruimtegebieden Beneden-Nete’, dat opgemaakt werd in uitvoering van het geactualiseerde Sigmaplan en als doel heeft om het nabijgelegen, bestaande overstromingsgebied om te vormen tot een ruimer natuur- en overstromingsgebied.

Het Vlaamse Gewest stelde dit ruimtelijk uitvoeringsplan vast op basis van een plan-milieueffectenrapport dat slechts betrekking had op een gedeelte van het plangebied. Voor het overige gedeelte van het plangebied, dat grenst aan het kasteeldomein, beperkte het Vlaamse Gewest zich tot een plan-m.e.r.-screening en werd besloten dat het voorgenomen plan geen relevante milieueffecten zou veroorzaken.

Astrea bekritiseerde deze handelswijze reeds in het bezwaarschrift dat in 2018 ingediend werd in het kader van het openbaar onderzoek van dit ruimtelijk uitvoeringsplan, doch er werd geen gevolg gegeven aan dit bezwaar. Nadat het plan vastgesteld werd op deze basis, diende Astrea een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State.

Parallel bekwam De Vlaamse Waterweg een omgevingsvergunning voor de effectieve realisatie van het natuur- en overstromingsgebied. Aangezien deze vergunning op het aangevochten ruimtelijk uitvoeringsplan gebaseerd was, diende Astrea eveneens een verzoek tot vernietiging bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

De Raad van State volgde finaal de argumentatie die het omgevingsrecht-team van Astrea ontwikkelde omtrent het gebrekkige plan-milieueffectenonderzoek, en vernietigde het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan bij arrest van 18 mei 2021 (nr. 250.618). In navolging van dit arrest ging ook de Raad voor Vergunningsbetwistingen op 16 september 2021 over tot vernietiging van de omgevingsvergunning van De Vlaamse Waterweg.

Deze rechtspraak onderstreept nog maar eens het belang van een zorgvuldig en volledig milieueffectenonderzoek in het kader van ruimtelijke planningsprocessen, en geeft nadere invulling aan de uitzonderingsgronden voor het opstellen van een plan-milieueffectenrapport.

Voor verdere vragen kan u steeds contact opnemen met Ciska Servais en Benoit Forêt.

Decreetswijziging verstrengt belang bij middel voor bestuursrechtscolleges

Op 21 mei 2021 keurde het Vlaams Parlement een decreet tot wijziging van het DBRC-decreet van 4 april 2014 goed dat verandering brengt in beroepsprocedures voor bestuursrechtscolleges in Vlaanderen, zoals de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Deze decreetswijziging heeft als doel de beroepsprocedure te vereenvoudigen, te versnellen en finaal efficiënter te maken, maar dreigt de toegang tot de rechter te bemoeilijken.

De belangrijkste wijziging betreft de concretisering van het belang bij het middel, waarbij het DBRC-decreet voortaan drie situaties omschrijft waarin een middel niet kan leiden tot een vernietiging:

1) Ten eerste kan de schending van een norm of algemeen rechtsbeginsel niet ingeroepen worden wanneer de verzoekende partij in kwestie er niet door benadeeld wordt. Dit principe van belangenschade bestond al in de rechtspraak voor de decreetswijziging.

2) Ten tweede moet de wetgeving die wordt ingeroepen kennelijk strekken tot de bescherming van de belangen van de verzoekende partij.

3) Ten derde wordt een attentieplicht van kracht. Dit houdt in dat een verzoekende partij de ingeroepen onwettigheid moet aangevoerd hebben op het nuttige ogenblik waarop deze kon worden aangevoerd tijdens de bestuurlijke procedure (bv. tijdens een eerdere inspraakmogelijkheid). Een verzoekende partij moet dus zo vroeg mogelijk in de procedure zijn argumenten brengen. Vooral deze laatste nieuwigheid vergroot het belang van een grondig uitgewerkt bezwaar in te dienen in het kader van een openbaar onderzoek.

Daarnaast zorgt de decreetswijziging er onder meer voor dat de vergunninghouder automatisch een volwaardige procespartij wordt en dat de rolrechten betaald moeten worden bij de indiening van een verzoekschrift i.p.v. na de indiening ervan.

Voor verdere vragen kan u steeds contact opnemen met het team omgevingsrecht van Astrea. Dit team is samengesteld uit Ciska Servais, Philippe Van Wesemael, Ilse Cuypers, Yannick Ballon, Nino Vermeire en Benoit Forêt.

Het einde van de London Interbank Offered Rate (LIBOR)

De LIBOR en soortgelijke rentes zullen vanaf 1 januari 2022 uit beeld verdwijnen en door risicovrije rentetarieven (RFR’s) worden vervangen.

De LIBOR is verweven met de interbancaire geldmarkt, dit is de markt waarop banken aan elkaar lenen, maar ook met financiële transacties die een onderliggende waarde van meer dan 300 biljoen dollar hebben.

Deze rentevoet is het gemiddeld rentetarief waartegen een groot aantal internationale banken in Londen leningen aan elkaar wil verstrekken. Hoewel LIBOR meerdere malen per dag wordt berekend, publiceert de ICE Benchmark Administration (IBA) dagelijks om 11u45 (Britse tijd) de officiële LIBOR tarieven. Voorheen werd dit gedaan door de British Bankers’ Association (BBA).

De LIBOR tarieven onderscheiden zich van elkaar in looptijd en valuta. In het verleden waren er 10 verschillende valuta en bestonden per valuta in totaal 15 looptijden. In 2013 heeft de BBA echter zowel het aantal valuta als het aantal looptijden teruggebracht tot respectievelijk 5 valuta en 8 looptijden. De resterende valuta zijn de Euro (EUR), de Amerikaanse dollar (USD), het Britse pond sterling (GBP), de Japanse yen (JPY), en de Zwitserse frank (CHF). De looptijden variëren van 1 dag (overnight) tot 12 maanden.

Het einde van de LIBOR zal gevolgen hebben voor zowel de Belgische als de internationale kredietpraktijk. Dit blijkt onder meer uit de omstandige informatie die de Loan Market Association (LMA) hierover ter beschikking stelt. Opneembare kredieten in Amerikaanse dollar en/of pond sterling zullen bijvoorbeeld moeten worden vergoed op basis van de relevante RFR in plaats van LIBOR. Meer concreet gaat het om de Sterling Overnight Index Average (SONIA) voor pond sterling en de Secured Overnight Financing Rate (SOFR) voor Amerikaanse dollar.

Voor de euro heeft de Working Group on Euro Risk-free Rates de €STR ontwikkeld. De €STR geeft het tarief weer voor ongedekte overnight euroleningen tussen banken in de eurozone.

De huidige Euro Interbank Offered Rate (EURIBOR) zal in de komende jaren echter behouden blijven, waardoor kredieten in euro in mindere mate beïnvloed zullen worden door de afschaffing van de LIBOR.

De Working Group moedigt partijen wel aan om een “fallback”-bepaling in hun in euro uitgedrukte kredietovereenkomst op te nemen. Zodoende kan de EURIBOR door de €STR worden vervangen indien de EURIBOR in de toekomst toch zou worden afgeschaft.

Aarzel niet ons te contacteren op het e-mailadres dve@astrealaw.be indien u over dit onderwerp nog verdere vragen hebt.

Dieter Veestraeten & Nicolas Michiels

Hervorming van het Belgische goederenrecht: wat is nieuw?

Inleiding

“Vanaf 1 september 2021 mag je voor bepaalde zaken de tuin van je buur betreden” was enkele dagen geleden een geruchtmakende krantenkop in onze media. Deze nieuwe regel (die zeker moet genuanceerd worden) maakt deel uit van het hervormde goederenrecht, dat in werking is getreden op 1 september 2021. De hervorming beoogt, onder meer, een integratie, modernisering, instrumentalisering en flexibilisering van het bestaande goederenrecht (dat teruggaat tot de Code Napoleon van 1804) in een nieuw Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, met een gepast evenwicht tussen rechtszekerheid en contractvrijheid.

Meer concreet bevat de nieuwe wet de volgende (niet-exhaustieve) vernieuwingen die van belang kunnen zijn in het kader van vastgoedprojecten, vastgoedfinanciering of projectontwikkeling:

  1. Limitatieve lijst van zakelijke rechten vs. contractsvrijheid

Het numerus clausus principe blijft gehandhaafd. Hieruit volgt dat men enkel die zakelijke rechten kan vestigen die in de limitatieve lijst van zakelijke rechten zijn opgenomen, maar daartegenover staat dat in principe de contractsvrijheid geldt voor alle bepalingen van Boek 3, behalve voor de definities en voor artikels die uitdrukkelijk anders bepalen.

  1. Recht van opstal

Bij vastgoedprojecten gaven partijen in het verleden vaak de voorkeur aan erfpacht, omdat de maximale duur ervan (99 jaar) een stuk langer was dan die van een opstalrecht (50 jaar). Onder de nieuwe wet wordt de maximumduur van het opstalrecht opgetrokken tot 99 jaar. Bijgevolg zal de keuze tussen opstal en erfpacht moeten worden gebaseerd op meer inhoudelijke gronden (bijvoorbeeld de wil om bouwwerken of beplantingen op te richten) dan louter de duur van het recht.

Een opstalrecht kan zelfs eeuwigdurend zijn indien de eigenaar van de grond het recht verleent voor:

  • 1) doeleinden van openbaar domein; of
  • 2) het creëren van volumes in geval van een complex en heterogeen onroerend goed, op voorwaarde dat deze volumes

    • (i) elk een eigen bestemming hebben;
    • (ii) onafhankelijk kunnen worden beheerd; en
    • (iii) geen gemeenschappelijke delen omvatten.

Een klassiek voorbeeld hiervan is een bovengronds gebouw, bijv. een winkelcentrum of een residentie, met een ondergronds parkeercomplex. Indien de partijen een permanente eigendomsverdeling wensen, kunnen zij onder de nieuwe wet opteren voor het creëren van volumes in plaats van de als belastend ervaren mede-eigendom.

Echter kan de rechter, na een periode van ten minste 99 jaar, de opheffing van het opstalrecht gelasten, indien het recht elk (zelfs potentieel of toekomstig) nut heeft verloren.

  1. Recht van erfpacht

De nieuwe kenmerken van het erfpachtrecht kunnen als volgt worden samengevat:

  • – De minimumduur werd verkort van 27 naar 15 jaar. Dit vergemakkelijkt aanzienlijk het aangaan van (onroerende) erfpachtconstructies.
  • – De jaarlijkse betaling van een canon is niet langer verplicht.
  • – Bij het einde van het erfpachtrecht moet de eigenaar de pachter vergoeden voor de constructies die deze op de betrokken grond heeft gebouwd. De nieuwe wet schrijft voor hoe deze vergoeding moet worden berekend indien de partijen niets hebben bedongen.
  • – Ook een erfpachtrecht kan eeuwigdurend zijn, wanneer en zolang het voor doeleinden van openbaar domein gevestigd is.

 

  1. Recht van vruchtgebruik

Het recht van vruchtgebruik heeft de volgende nieuwe kenmerken:

  • – De mogelijkheid om het vruchtgebruik te verlengen werd wettelijk vastgelegd.
  • – Voor daden van behoud hebben de vruchtgebruiker en de blote eigenaar voortaan een wettelijk verankerde samenwerkingsplicht.
  • – De blote eigenaar hoeft structurele herstellingen niet langer alleen te bekostigen. Op verzoek zal de vruchtgebruiker een evenredig deel van de kosten moeten dragen, berekend op basis van de waarde van het vruchtgebruik tegenover de waarde van de volle eigendom.
  • – Vruchtgebruik toegekend aan een rechtspersoon kan voortaan tot 99 jaar duren (in plaats van 30 jaar). Evenwel blijft de regel gelden dat, in geval van faillissement of ontbinding, het vruchtgebruik ook een einde neemt.
  1. Andere nieuwigheden

  • – De nieuwe wet bevat een wettelijke regeling om persoonlijke en zakelijke rechten te vestigen op het openbaar domein, voor zover dit niet strijdig is met het publieke doel ervan (dit in navolging van een lange evolutie in bijzondere wetgeving en rechtspraak). Dit betekent concreet dat de terbeschikkingstelling van het openbaar domein vlotter kan verlopen, bijvoorbeeld wat de oprichting van investeringsgoederen door private investeerders betreft (men denke bijv. aan windturbines of onroerende technische installaties in het havengebied). Dit zal de financierbaarheid van dergelijke projecten enkel ten goede komen.
  • – Aanvullende akten die bijv. een koopoptie, een recht van levenslange huur, een voorkooprecht, … bevatten, kunnen voortaan ook in het hypotheekregister worden overgeschreven.
  • – De vrijwillige mede-eigendom en de beëindiging ervan zijn nu bij wet geregeld.

 

  1. Inwerkingtreding

De nieuwe wet is enkel van toepassing op rechtshandelingen en -feiten die zich voordoen na 1 september 2021. Zij zal echter niet van toepassing zijn op:

  • – toekomstige gevolgen van rechtshandelingen en -feiten die zich vóór 1 september 2021 hebben voorgedaan; of
  • – rechtshandelingen en -feiten die zich na 1 september 2021 voordoen, wanneer het betrokken zakelijk recht vóór die datum is gevestigd.

Bovendien zullen de bepalingen betreffende de registratie van aanvullende akten pas in werking treden op 1 juli 2022. Ten slotte is er een overgangsregeling voorzien voor de opstalrechten in volume-eigendom die vóór 1 september 2021 zijn verleend.

Mocht u hierbij vragen hebben, aarzel dan niet het Astrea real estate team te contacteren.

Astrea Real Estate Team

Ciska Servais – vastgoedrecht, omgevings- en administratief recht

Philippe Van Wesemael – administratief en publiek recht

Micha Van den Abeele – corporate real estate

Ilse Cuypers – omgevingsrecht

Dieter Veestraeten – vastgoed- & projectfinancieringen

Stikstofarrest herbevestigd

De Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft in een schorsingsarrest van 12 augustus 2021 (RvVb-S-2021-1254) een omgevingsvergunning voor de bouw en uitbating van een tomatenkwekerij in Hoogstraten geschorst, en heeft haar eerdere rechtspraak uit het zgn. “stikstofarrest” herbevestigd. 

Dit arrest heeft betrekking op een omgevingsvergunning die op 5 december 2020 door de bevoegde Vlaamse minister verleend werd voor de bouw en uitbating van een tomatenkwekerij in Hoogstraten.

De vzw Natuurpunt Markvallei stelt tegen die vergunning een verzoek tot vernietiging en schorsing in bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, die de vergunning in het arrest van 12 augustus 2021 schorst.

De Raad komt tot deze conclusie op grond van het feit dat de tomatenkwekerij in kwestie gelegen is in de buurt van een natuurgebied, met name een Habitatrichtlijngebied, en de vzw aantoont dat er natuurwaarden in dit gebied aanwezig zijn die gevoelig zijn voor stikstofdepositie. De minister oordeelde in de vergunningsbeslissing dat de stikstofemissie van het bedrijf minder dan 5% bijdraagt aan de zogenaamde kritische depositiewaarde, zodat er geen betekenisvolle aantasting is van de natuurlijke kenmerken van het natuurgebied. Deze beoordeling was gebaseerd op het zogenaamde “voorlopige PAS-kader”.

Volgens de Raad  onderzoekt de minister met die beoordeling niet voldoende of de tomatenkwekerij een risico op betekenisvolle aantasting van het nabijgelegen Habitatrichtlijngebied heeft, en volstaat een loutere verwijzing naar de algemene drempelwaarden van het toen geldende PAS-kader niet om voorbij te gaan aan een concrete beoordeling van de betekenisvolle effecten op de nabijgelegen natuur.

Met deze rechtspraak bevestigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen haar eerdere rechtspraak inzake het voorlopige PAS-kader (zie RvVb 25 februari 2021, nr. RvVb-A-2021-0697). Deze regeling is intussen opgeheven en vervangen door een ministeriële instructie van 2 mei 2021, waarin nieuwe significantiekaders voor stikstofuitstoot van de verschillende sectoren opgenomen is. Intussen blijft het wachten op een definitieve regeling voor de stikstofproblematiek in het zogenaamde “definitief PAS”, waarover ongetwijfeld nog niet het laatste woord geschreven is.

U kunt het volledige arrest hier lezen.

Lening op interest of kredietopening?

In een arrest van 14 juni 2021 heeft het Hof van Cassatie zich opnieuw uitgesproken over de kwalificatie van een overeenkomst als kredietopening dan wel een lening op interest.

De kwalificatie is onder meer van belang voor de bepaling van de omvang van de wederbeleggingsvergoeding.

Een wederbeleggingsvergoeding is de vergoeding die verschuldigd is bij vervroegde terugbetaling van een krediet of lening. Overeenkomstig artikel 1907bis oud BW kan de wederbeleggingsvergoeding nooit hoger zijn dan 6 maanden interest wanneer het gaat om leningen op interest. Aangenomen wordt dat deze bepaling niet geldt voor kredietopeningen.

In de zaak waarover het Hof van Cassatie moest oordelen sloot de bank een overeenkomst met een onderneming voor de financiering van de aankoop van een vruchtgebruik van een woning. De overeenkomst werd door de bank gekwalificeerd als een kredietopening die werd aangegaan voor een periode van 19 jaar. De kredietovereenkomst voorzag een mogelijkheid tot vervroegde beëindiging tegen betaling van een wederbeleggingsvergoeding.

Het kredietbedrag werd door de onderneming in één keer opgenomen. De ondernemingsrechtbank te Antwerpen oordeelde in 2018 dat het om die reden ging om een lening op interest waardoor de wederbeleggingsvergoeding tot een bedrag gelijk aan 6 maanden interest moest worden beperkt. Het Hof van Beroep te Antwerpen bevestigde dit vonnis.

De kwestie werd vervolgens aan het Hof van Cassatie voorgelegd waarbij de bank argumenteerde dat de raadsheren van het Hof van Beroep het zakelijk karakter van de lening op interest miskenden aangezien de lening ontstaat door de afgifte van het geldbedrag hetgeen in deze zaak pas 2 maanden na het afsluiten van de overeenkomst plaatsvond.

Het Hof van Cassatie stelt hierover in haar arrest het volgende: “de zakelijke aard van de lening komt niet in het gedrang wanneer de partijen vooraf een consensuele overeenkomst tot lening sluiten die uitmondt in een lening zodra het geldbedrag aan de lener wordt ter beschikking gesteld”.

Dit betekent dat een zekere periode tussen de ondertekening van de kredietovereenkomst en de overmaking van het kredietbedrag niet verhindert dat het om een lening op interest gaat.

Aarzel niet ons te contacteren op het e-mailadres dve@astrealaw.be indien u hieromtrent vragen hebt.

Dieter Veestraeten & Nicolas Michiels

Hoofddoekenverbod op het werk: neutraliteit of discriminatie …?

Een recent Brussels vonnis over het hoofddoekenverbod heeft heel wat weerklank gekregen in de pers en heeft geleid tot aan aantal politieke discussies. Voor heel wat ondernemingen zal nu opnieuw de vraag rijzen of een neutraliteitsbeleid voortaan nog toegelaten is?

In het vonnis van 3 mei 2021 van de Franstalige arbeidsrechtbank te Brussel werd de Brusselse vervoersmaatschappij MIVB veroordeeld wegens een (directe) discriminatie op basis van geloofsovertuigingen en van een (indirecte) discriminatie op grond van gender. De MIVB had geweigerd om een vrouw met een hoofddoek in dienst te nemen. Die weigering werd gemotiveerd op basis van neutraliteitsbeleid van de MIVB.

Nochtans is dat vonnis niet de enige rechterlijke uitspraak in deze materie.

Voor een goed begrip moeten we teruggaan naar de originele Europese rechtsbron, met name richtlijn 2000/78/EG, dewelke een algemeen kader voor gelijke behandeling heeft ingevoerd. Deze richtlijn werd omgezet in Belgisch recht o.a. door de antidiscriminatiewet van 10 mei 2007.

Nog niet zo lang geleden deed het Europees Hof van Justitie uitspraak in de zaken Achbita en Bougnaoui (HvJ, 14 maart 2017) over de vraag of een werkgever een vrouwelijke werknemer discrimineert door haar te ontslaan wegens het dragen van een hoofddoek.

Welnu, in tegenstelling tot het Brussels vonnis, oordeelde het Hof van Justitie dat een onderneming wel degelijk in een intern reglement kan bepalen dat werknemers, die met het publiek in contact komen, zich neutraal dienen te kleden en dus geen religieuze, filosofische of politieke symbolen mogen dragen.

De zaak Achbita werd na de uitspraak van het Hof van Justitie verdergezet voor het arbeidshof te Gent. Uit het arrest van 12 oktober 2020 blijkt dat Mevrouw Achbita weigerde zich neer te leggen bij het (ongeschreven) neutraliteitsbeleid dat gold voor alle werknemers van de onderneming. Na een wijziging van het arbeidsreglement werd een formeel neutraliteitsbeleid ingevoerd. Alle werknemers dienden een uniform te dragen en religieuze symbolen waren niet meer toegelaten. Omdat zij weigerde haar hoofddoek niet meer te dragen, werd zij ontslagen met betaling van een opzeggingsvergoeding.

Volgens het arbeidshof te Gent gebeurde er door het hoofddoekenverbod dus geen (indirecte) discriminatie op grond van geloofsovertuiging.

Besluit: De rechtbank weegt en wikt, en beschikt finaal op basis van de concrete elementen van het voorliggende dossier. Maar de voorzichtige werkgever zal – indien gewenst – best tijdig een neutraliteitsbeleid invoeren via het arbeidsreglement.

To be continued…

Aarzel niet ons te contacteren op het e-mailadres rds@astrealaw.be indien u hieromtrent vragen hebt.

Astrea staat u en uw onderneming graag bij met raad en daad.

Eerste vonnis over misbruik van economische afhankelijkheid

Op 1 december 2020 trad de B2B wet in werking (Wet van 4 april 2019 houdende wijziging van het Wetboek van Economisch Recht met betrekking tot misbruiken van economische afhankelijkheid, onrechtmatige bedingen en oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen). De B2B wet introduceert o.a. het verbod op misbruik van economische afhankelijkheid (reeds in werking getreden op 23 augustus 2020).

Art. IV.2/1 WER bepaalt:

“Het is verboden in hoofde van één of meer ondernemingen misbruik te maken van een positie van economische afhankelijkheid waarin één of meerdere ondernemingen zich bevindt, waardoor de mededinging kan worden aangetast op de betrokken Belgische markt of op een wezenlijk deel daarvan. Er kan sprake zijn van misbruik bij: 1° het weigeren van een verkoop, een aankoop of van andere transactievoorwaarden (…).”

In een vonnis van 28 oktober 2020, wellicht de eerste toepassing van de nieuwe B2B wet, heeft de Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank te Gent, zetelend zoals in kortgeding, geoordeeld over zowel het verbod op misbruik van economische afhankelijkheid (art. IV.2/1 WER) als het eerder bestaand algemeen verbod op oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen (art. VI.104 WER).

De Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank te Gent diende te onderzoeken of het verbod op misbruik van economische afhankelijkheid in een relatie tussen twee ondernemingen actief in de kledingsector was geschonden. Een van beide ondernemingen, met name de leverancier, had eenzijdig en zonder aankondiging geweigerd om nog bestellingen uit de wintercollectie 2020 te leveren aan een kleinhandelaar. De leverancier motiveerde zijn weigering door te beargumenteren dat de handelsrelatie tussen de leverancier en de kleinhandelaar met onmiddellijke ingang was beëindigd wegens mogelijke betalingsmoeilijkheden bij de kleinhandelaar. De leverancier verwees in dat verband naar zijn algemene voorwaarden volgens dewelke hij alle bestelling en de lopende overeenkomsten mocht annuleren en geen kledij meer moest leveren indien het vertrouwen in de kredietwaardigheid van de klant geschokt wordt.

1. Het bestaan van een positie van economische afhankelijkheid
De Voorzitter stelde vast dat er sprake was van economische afhankelijkheid aangezien de kleinhandelaar voor zijn aanbod uitsluitend aangewezen was op de leverancier en niet in staat zou zijn geweest om binnen zo’n korte tijd, onder redelijke voorwaarden en kosten, zich te bevoorraden bij alternatieve leveranciers. In deze specifieke sector moet de collectie voor een bepaald seizoen immers ruim op voorhand vastgelegd worden.

2. Misbruik
Volgens de Voorzitter heeft de leverancier misbruik gemaakt van de positie van economische afhankelijkheid van de kleinhandelaar door de leveringen onmiddellijk en zonder aankondiging stop te zetten. De leverancier wist dat de kleinhandelaar volledig afhankelijk was van het aanbod van eerstgenoemde zonder dat er een redelijk alternatief was dat de kleinhandelaar zou toelaten om, tegen redelijke voorwaarden en kosten, en binnen een redelijke termijn, alsnog een volwaardige wintercollectie aan te bieden.

De Voorzitter heeft ook rekening gehouden met andere elementen zoals de indruk die de leverancier had gewekt dat de wintercollectie alsnog zou worden geleverd door het promotiemateriaal voor de wintercollectie reeds over te maken in juli. De leverancier had enkele dagen voor de geplande levering gewacht om de samenwerking te beëindigen en de laatste bestellingen te annuleren terwijl hij al lang op de hoogte was van de twijfelachtige solvabiliteit van de kleinhandelaar die werd aangevoerd als reden voor de beëindiging van de samenwerking.
Maar de werkelijke reden voor de beëindiging was volgens de Voorzitter de zogezegde strategie van de leverancier om de zaak van de kleinhandelaar uit de markt te drijven zonder zelf schade te lijden, en er in tegendeel voordeel uit te puren, aangezien de leverancier nu rechtstreeks de klanten van de kleinhandelaar fysiek of online zou kunnen benaderen en bedienen. Het vonnis geeft aan dat een marginale toetsing het aannemelijk maakte om te besluiten dat een dergelijk strategische politiek de werkelijke reden was voor de beëindiging.

3. Effect op de Belgische markt?
Er kan slechts sprake zijn van een inbreuk op het verbod op misbruik van economische afhankelijkheid indien het misbruik de mogelijkheid heeft om, potentieel, de concurrentie op de Belgische markt of een wezenlijk deel ervan, te beïnvloeden. Hoewel de drie toepassingsvoorwaarden cumulatief van aard zijn heeft de Voorzitter geen onderzoek gedaan naar het potentiële effect op de relevante Belgische markt of een wezenlijk deel ervan. De Voorzitter maakte in de plaats daarvan een verwijzing naar het algemeen verbod op oneerlijke markpraktijken:
“Het aan de dag gelegde gedrag van verweerster komt arbitrair voor en vormt een inbreuk op artikel IV.2/1 WER, minstens komt het neer op onzorgvuldig gedrag dat de eerlijke marktpraktijken schendt in de zin van art. VI.104 WER, en waardoor bovendien onomkeerbare schade dreigt te worden berokkend aan de eiseres.”

4. Resultaat: bevel tot levering aan de kleinhandelaar
De Voorzitter veroordeelde de leverancier tot staking van de leveringsweigering, op straffe van een dwangsom. Daarbij oordeelde de Voorzitter dat de tegenvordering van de leverancier, die vorderde om bijkomende waarborgen op te leggen voor de levering, onontvankelijk is want die “kadert uitsluitend binnen de zuiver contractuele verhouding tussen partijen”.

Heeft u vragen omtrent de oude en nieuwe wetgeving inzake marktpraktijken en de impact ervan op uw onderneming, neem dan contact op via avg@astrealaw.be.

Misbruik van machtspositie door Peugeot Oostenrijk

Op 17 februari 2021 heeft het Oostenrijkse Hooggerechtshof een uitspraak gedaan in een zaak die opgestart was door een Oostenrijkse dealer “Buechl” tegen de Oostenrijkse invoerder Peugeot.

Deze dealer had in 2018 een procedure gestart wegens het commercieel beleid van Peugeot, dat op vele punten “abusief” zou zijn t.a.v. de dealers, die economisch afhankelijk zouden zijn van de invoerder. Deze dealer was reeds een 30-tal jaar Peugeot-dealer en dit merk vormde voor hem meer dan 60% van zijn business.

Het Hof heeft nu de uitspraak van de rechtbank in eerste aanleg bijgetreden en geoordeeld dat Peugeot effectief een ‘misbruik van machtspositie’ pleegde t.a.v. de dealer via haar commercieel beleid. Het Hof gelastte Peugeot om binnen de 3 maanden haar commercieel beleid te herdefiniëren. Andere punten zouden opnieuw onderzocht worden door de lokale mededingingsautoriteit.

De grote struikelblokken van dat commercieel beleid van Peugeot zijn de volgende:

1. Het feit dat de bonus-vergoeding voor de verkoop van nieuwe voertuigen gekoppeld is aan een systeem van klantentevredenheidsonderzoeken; Om in aanmerking te komen voor een bonus wordt als toegangsdrempel een minimale score van 80% (“klantenaanbevelingen”) vereist, hetgeen bovendien streng wordt beoordeeld (enkel een score van 9/10 geldt als “klantenaanbeveling”); De dealer moet derhalve zijn klanten beïnvloeden om de hoogst mogelijke score te geven, hetgeen een aanzienlijke inspanning op het gebied van communicatie vereist en bovendien als beschamend wordt ervaren wegens beïnvloeding van de klant.
2. Het feit dat de bonus-vergoeding voor de verkoop van nieuwe voertuigen gekoppeld is aan onredelijk hoge verkoopdoelstellingen (boven de algemene raming van de verkooptrends); Om in aanmerking te komen voor een bonus wordt als toegangsdrempel onder meer een minimale score van 80% vereist; Peugeot was zich bewust van het onredelijk karakter, aangezien in de voorgaande jaren de verkoopdoelstellingen verschillende keren waren verlaagd in het kader van een arbitrageprocedure met deskundigen;
3. Het feit dat de dealers concurrentie hebben van verkooppunten die ‘verbonden vennootschappen’ zijn van de invoerder en die zeer lage retailprijzen bieden aan eindklanten, terwijl de veroorzaakte verliezen worden opgevangen door de invoerder;
4. Het economisch verplichten van de dealers om deel te nemen aan nationale promoties (teneinde hun verkoopdoelstellingen te kunnen behalen), zodat dealers beperkt zijn om hun prijs aan eindklanten vrij te bepalen.
5. De verplichting om garantiewerkzaamheden uit te voeren met een controlesysteem dat duur is voor de dealers, waardoor dergelijke werkzaamheden economisch niet rendabel zijn;
6. De verwerking van garanties met uurtarieven en onderdelen-prijzen die de kosten niet dekken voor de dealers;
7. Het doorrekenen aan de dealers van de kosten van mystery shopping, mystery leads en basiscriteria audits voor de verkoop van nieuwe voertuigen en naverkoop activiteit.

Deze beslissing van het Hof was vooral gebaseerd op een Oostenrijkse nationale wet m.b.t. ‘misbruik van machtspositie’ (gebaseerd op het begrip ‘relatieve marktmacht’), maar het Hof oordeelde dat ook de parallelle regeling onder Europees recht (overeenkomstig artikel 102 Verdrag Europese Unie) van toepassing is.

Is deze uitspraak relevant voor België? Daar is het antwoord “ja”, aangezien België ook een dergelijke nationale wetgeving heeft m.b.t. ‘economische machtspositie’ (wet van 4 april 2019). Deze uitspraak van het Oostenrijkse Hof zou dus mogelijks wel in aanmerking kunnen worden genomen door de Belgische rechtenbanken die zich over een gelijkaardig geschil zouden buigen. Ook in het licht van de sterk evoluerende markt in de automobielsector, is deze uitspraak mee in rekening te nemen door de invoerders bij de bepaling van hun commercieel beleid en strategische plannen m.b.t. hun dealer netwerken.

Insolventierecht hervormd: drempel gerechtelijke reorganisatie verlaagd!

In de nacht van donderdag 11 op vrijdag 12 maart 2021 stemde de Kamer een hervorming van het insolventierecht goed. Deze hervorming komt er naar aanleiding van de Coronapandemie en heeft als doel de gevreesde faillissementengolf te vermijden. Tot nu konden ondernemingen genieten van twee tijdelijke moratoria en een terughoudende overheid die niet dagvaardde in faillissement, maar nu is het tijd om Wetboek XX aan te passen.

In de aangepaste wet worden er drie grote wijzigingen doorgevoerd aan de procedure van gerechtelijke reorganisatie in Boek XX WER en een aantal kleinere wijzigingen. Wij lichten dit hieronder toe.
Het wetsvoorstel omschreef de voorgestelde wijzigingen als “absoluut noodzakelijk” om de toegang tot het insolventierecht te vergemakkelijken “in het bijzonder voor de kleine en middelgrote ondernemingen”. Maar ook voor grotere ondernemingen met sterk gepositioneerde schuldeisers is deze wetswijziging een belangrijke vooruitgang.

Er werd ten eerste een pre-pack insolvency ingevoerd onder de vorm van een “voorbereidend akkoord”. Het doel is het voorbereiden van een formele insolventieprocedure met behulp van een gerechtsmandataris. Samen met de schuldenaar zal de gerechtsmandataris onderhandelingen voeren met één of meerdere schuldeisers en kan de rechtbank faciliteiten opleggen zoals een opschorting van betaling van bepaalde schulden. De wijziging voorziet ook dat er vlot kan worden geschakeld naar een formele gerechtelijke reorganisatie procedure (minnelijke of collectief akkoord).

Ten tweede werd de drempel om een gerechtelijke reorganisatie aan te vragen, verlaagd. Voorheen beletten de formele vereisten vele (kleinere) ondernemingen om dergelijke procedure aan te vragen. De schuldenaar diende verplicht bij zijn verzoekschrift bepaalde stukken te voegen zoals een interne balans en cash flow planning. Deze stukken kunnen nu ook nadien worden gevoegd of zelfs niet.

Ten slotte voert de wetgever ook een fiscale wijziging door om vroegere ongelijkheden weg te werken. Nu worden de waardeverminderingen en voorzieningen op schuldvorderingen van toepassing op de drie types van gerechtelijke reorganisatie.

Deze wijzigingen treden in werken de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad bekend worden gemaakt, wat tot op heden nog niet gebeurde. De meeste wijzigingen hebben maar een beperkte geldigheidsduur en treden reeds buiten werking op 30 juni 2021 (met mogelijkheid tot verlenging) en zullen dan geëvalueerd worden door de wetgever. In Juni 2021 moet in België immers de Europese Herstructeringsrichtlijn zijn omgezet, zodat de echte wetswijzigingen nog op zich laten wachten.

Het grote pluspunt van deze wet is dat het een reddingscultuur bevordert die de slaagkans van een onderhandelde reorganisatie verhoogt, dankzij de tussenkomst van de rechter in een discrete fase van het voorbereidend akkoord.

Een tweede moratorium op faillissementen vanaf 24 December 2020

Bij Wet* wordt een tweede moratorium op het uitspreken van faillissementen van kracht vanaf 24 December 2020 tot en met 31 Januari 2021, zij het met beperkingen en voorwaarden.

 

In het voorjaar werd een eerste moratorium afgekondigd om een faillissementsgolf te vermijden, wat vooral door de flankerende maatregelen met betrekking tot de schuldvorderingen van de overheden gelukt is.

 

Het moratorium geldt voor alle “ondernemingen” op voorwaarde dat hun activiteit vallen onder de sluitingsmaatregelen waartoe bij Ministerieel Besluit van 28 oktober 2020 is beslist. Ondernemingen die geopend zijn, vallen bijgevolg niet onder het moratorium.

 

Het moratorium houdt concreet in:

  • Dat alle ondernemingen automatisch een “opschorting” wordt toegekend;
  • Dat geen bewarende of uitvoerende beslagen kunnen worden gelegd en dat alle gedwongen tenuitvoerlegging wordt gestaakt;
  • Dat geen overeenkomsten wegens wanbetaling kunnen worden ontbonden, noch eenzijdig, noch gerechtelijk;
  • Dat niet in faillissement of gerechtelijke ontbinding kan worden gedagvaard, behalve door het Openbaar Ministerie naar aanleiding van een handelsonderzoek;
  • Dat een ondernemer die in staking van betaling verkeert geen plicht heeft om aangifte van faillissement te doen, maar het recht daartoe wel behoudt (moet niet, mag wel);
  • Dat de termijnen, vastgelegd in een reorganisatieplan, met 36 dagen worden opgeschort;

 

Het moratorium behelst geen algehele opschorting van betalingen en de wet bepaalt uitdrukkelijk dat opeisbare schuldvorderingen betaald dienen te worden.  Werkgevers kunnen zich ten aanzien van hun werknemers niet op de Wet beroepen. Ook contractuele sancties zoals onder meer de exceptie van niet-uitvoering, de schuldvergelijking en het retentierecht en financiële zekerheden kunnen nog worden uitgeoefend.

 

De Wet ontheft kredietverstrekkers van aansprakelijkheid indien hun (nieuw) krediet de continuïteit van de onderneming toch niet heeft kunnen verwezenlijken.

 

De wet heeft tot slot een beschermingsmechanisme tegen misbruik ingebouwd: al wie meent dat een onderneming ten onrechte gebruik maakt van de opschorting kan via een bijzondere kortgedingprocedure dit aan de Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank voorleggen.

 

Contacteer Astrea als het moratorium een impact heeft op uw onderneming:  louis.verstraeten@astrealaw.be

 

*Wet van 20 December 2020, houdende diverse en tijdelijke bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19, Belgisch Staatsblad dd. 24 December 2020.